Keuze Menu
Contact
h

 

Klik hier voor een printbare versie van dit artikel


Pesso-psychotherapie bij de behandeling van de gevolgen van seksueel misbruik

Lowijs Perquin en Albert Pesso



Het ondergaan hebben van seksueel misbruik verstoort zowel het contact met het eigen lichaam als het contact met andere mensen. Het lichamelijke zal daarom in de behandeling van de gevolgen van seksueel misbruik een plaats moeten krijgen. Dit artikel laat zien hoe de problemen die het betrekken van het lichaam in de individuele psychotherapie met zich meebrengt, in de Pesso-psychotherapie worden benaderd door in de gestructureerde context van een groep de cliënt de gelegenheid te geven emoties lichamelijk te uiten en basale behoeften op een symbolische manier te vervullen. Door de systematische wijze waarop het lichaam in de therapie wordt betrokken, kan de cliënt ervaren dat zijn of haar lichamelijke integriteit wordt gerespecteerd en dat het eigen lichaam te vertrouwen is. Na een overzicht van de gevolgen van seksueel misbruik worden de therapeutische inter-venties aan de hand van acht thema's in een casus besproken.

Waarom het lichaam in de psychotherapie?

In het contact tussen mensen speelt lichamelijke communicatie een minstens even belangrijke rol als de verbale uitwisseling. Voor het psychotherapeutisch handelen lijkt dit vooralsnog weinig consequenties te hebben (Sommeling 1994, 2000). In de therapiekamer telt vooral het gesproken woord. Dit is een manco bij een aantal problemen waarvoor mensen psychotherapeutische hulp zoeken, waaronder de gevolgen van seksueel misbruik. Seksueel misbruik grijpt niet alleen in op het psychisch functioneren, maar verstoort ook de relatie met het eigen lichaam en het contact met andere mensen (Cuppen 2000). De beangstigende en verwarrende emoties die ermee gepaard gaan, blijven zich later langdurig ook als lichamelijke sensaties en zintuiglijke herinneringen manifesteren. Het is moeilijk voor te stellen hoe deze gevolgen met alleen woorden zouden kunnen worden behandeld. Trauma- en geheugenonderzoek laat zien hoe emotionele verwaarlozing en vroege fysieke en seksuele traumata in het heden doorwerken. Vaak presenteren deze zich als lichamelijke klachten en belevingen (Draijer 1990, van der Kolk e.a. 1996). Het lichaam slaat informatie op en heeft een eigen taal, geheugen en interpretatiekader. In het lichaam ligt het verhaal van het verleden opgeslagen en als zodanig beïnvloedt het de beleving van heden en toekomst (Cuppen 2000). Dat lichaam en geest onlosmakelijk verbonden zijn, wordt door de snel groeiende kennis uit de neurowetenschappen (her)bevestigd (Schacter 1997, Damasio 1999, van Strien 2000). Ook in dit licht ziet het ernaar uit dat voor de behandeling van de gevolgen van seksueel misbruik 'erover praten' niet voldoende is (Witter 1999).

     Een ander argument is dat juist de cliënt die lichamelijk is getraumatiseerd, professionele aandacht verwacht voor zowel de psychische gevolgen van de traumatisering als het lichamelijk gekwetst zijn. Ondanks een diepgeworteld wantrouwen of dit wel mogelijk is, koestert de cliënt een sterk verlangen naar rehabilitatie van de lichamelijke integriteit. Een wens die wegens angst en schaamte vaak niet wordt verwoord en door therapeuten soms wordt misverstaan als het uitageren van erotische of seksuele wensen. Zo komen we op de verantwoordelijkheid van de behandelaar.

     Als eerste moet de therapeut zich realiseren dat loochening van psychische en fysieke pijn een noodzakelijke overlevingsstrategie is van mensen die fysiek of seksueel zijn overweldigd. Getraumatiseerde mensen hebben geleerd te wachten totdat de ramp zich heeft voltrokken. Zij zijn ertoe geneigd te verduren om daarna schijnbaar ongeraakt over te gaan tot de orde van de dag. De therapeut die voorbijgaat aan de onuitgesproken behoefte van de cliënt aan eerherstel van het geminachte lichaam, draagt onbedoeld bij aan een herhaling van een geschiedenis van weer moeten verdragen (van Lichtenburcht 2000).

     Een tweede aspect dat naar de verantwoordelijkheid van de therapeut verwijst is, dat hoe meer zorg de cliënt voor het lichamelijke behoeft, des te gevoeliger de interactie ligt binnen de psychotherapeutische relatie. De cliënt zal sterke negatieve gevoelens voor de therapeut ervaren, zoals schaamte, wantrouwen en de angst niet geloofd of schuldig gevonden te worden. Ook afkeer van het eigen lichaam kan in de persoon van de therapeut worden geprojecteerd. De daarmee strijdige intense verlangens naar lichamelijke genegenheid en de hoop op onvoorwaardelijke acceptatie kunnen uiterst verwarrend zijn. Tevens kan de cliënt moeite hebben met het onderscheid tussen letterlijk lichamelijk contact en de symbolische betekenis ervan. Een gewone handdruk aan het eind van een gesprek kan beladen en op den duur zelfs beangstigend worden. De therapeut ontkomt niet aan reddersfantasieën en momenten van erotisch gekleurde tegenoverdrachtsgevoelens (van Tilburg 1988, Perquin 1994). Ook zal hij moeten kunnen verdragen dat de cliënt hem bij tijden als een buitenstaander ziet die het toch niet begrijpt of lastiger nog: als een potentiële dader. De therapeut loopt het risico zich met deze rol te identificeren en zelfs het bijbehorende gedrag te gaan vertonen. Nederlands onderzoek laat zien dat zes procent van de psychothe­rapeuten ooit een seksuele relatie met een cliënt -meestal cliënte- is aangegaan (Aghassy en Noot 1990). Het is te verwachten dat het hier vaak om cliënten met een achtergrond van seksueel misbruik gaat. Dit percentage zet aan het denken. Het maakt duidelijk dat een therapeut die lichamelijk contact met een therapeutisch doel toepast, moet garanderen dat daarmee niet de weg naar erotisch of seksueel contact wordt geëffend. Immers, wanneer in de therapie het verleden op pijnlijke wijze wordt herhaald, is dit de therapeut te verwijten. Door de afhankelijkheid die eigen is aan de hulpverleningsrelatie, versterkt door de voorgeschiedenis van seksueel mis­bruik, zal het de cliënt de grootste moeite kosten zelf stelling te nemen. Er is moed voor nodig om een therapeut die de grenzen overschrijdt zijn plaats te wijzen, eventueel met behulp van een beroepsinstantie of de rechter. Onvoldoende toegang hebben tot de emoties die tot een dergelijke stellingname kunnen leiden is nu juist een van de redenen waarom de cliënt hulp heeft gezocht.    

     De cliënt is niet op zoek naar een seksuele ervaring maar naar een volwassene die laat merken: 'Ik geef om je, ik respecteer en waardeer jouw wensen, maar ik ben alleen als therapeut voor je beschikbaar'. Een dergelijke professionele houding is niet 'afstandelijk' maar impliceert intimiteit binnen een veilige, begrenzende sfeer en context. De cliënt behoeft immers validering van het verlangen naar intimiteit - op het belevingsniveau van het kind in relatie met een betrouwbare volwassene - zonder dat deze erkenning letterlijk in het fysieke contact met de therapeut hoeft plaats te vinden. Zelfs wanneer de cliënt het initiatief zou nemen tot erotisch of seksueel contact, is het de therapeut die moet weten hoe dit verlangen te beantwoorden en in goede banen te leiden. Hij (of zij) dient zich te onthouden van lichame­lijk contact en niet op de wensen in te gaan, zonder echter het ver­lan­gen als zodanig af te wijzen of te devalueren. De abstinen­tieregel, die centraal staat in de traditionele psychotherapie, is méér dan een erfenis van puriteins Freudiaans denken. De professionele distantie van de therapeut biedt de cliënt in diens afhankelijkheidsrelatie de garantie dat er niets buiten diens toestemming zal gebeuren.

     Een andere argument voor abstinentie is meer van therapeutisch-techni­sche aard. Als de therapeut steunend, beschermend of troostend lichamelijk contact biedt, kunnen de overdrachts- en tegenoverdrachtsgevoelens hoog oplopen. Cliënt en therapeut kunnen op den duur maar moeilijk uit elkaar houden op wiens initiatief en ter vervulling van welke behoefte het lichamelijk contact plaats vindt. De verwarring die dat geeft, staat dan niet meer in verhouding tot de nagestreefde verheldering. Dat is een probleem dat in de context van een individuele therapie niet gemakkelijk is op te lossen (Leijssen 1998, Van Haver, 2000).

Volgende Pagina