|
|
|
||||||||||
![]() |
Iman Baardman
Aan de psychomotorisch therapeuten komt de eer toe al sinds mensenheugenis hulp te verlenen aan mensen met psychiatrische problematiek via lichamelijkheid, lichaamsbesef en motoriek. Sinds mensenheugenis, want rond 1845 werd beweging in de vorm van veldarbeid, zagen, schommelen, wandelen en gymnastiek al van harte aanbevolen als therapeuticum. Schroeder van der Kolk, Ramaer, Everts, Cowan en de door hen overtuigd geraakte koning Willem I, hebben de stoot gegeven tot een enorme verbetering van de behuizing en verpleging van patiënten die krank van zinnen waren; en de sportleraar Euler heeft binnen die nieuw gegeven ruimte de gymnastiek gepropageerd (bron: De Lange, 1995). Op den duur was er geen psychiatrisch centrum of men had de beschikking over een gymzaal, een ontspanningsruimte, een sportveld en soms een eigen zwembad. De psychomotorisch therapeuten waren en zijn degenen die deze faciliteiten benutten in het werken met patiënten. En vaak met enorm succes. Desondanks bleef dit vaak buiten het gezichtsveld van de psychiaters, psychologen en psychotherapeuten, die het veel te druk hadden met respectievelijk pillen, testen en luisteren. Deze psychomotore enclaves duurden tot ca. 1965. Toen waaide, voornamelijk vanuit Californië, een golf van therapeutische benaderingen waarbij het lichaam verdisconteerd wordt over naar Europa, en niet in het minst naar Nederland. Gestalttherapie, psychodrama, Reichiaans lichaamswerk, bio-energetica (harde en zachte stijl), bio-release, unitieve therapie, rolfing, ademtherapie, bewegingsexpressie, danstherapie, Pesso Boyden system psychomotor-therapy, Downing therapie, primal scream, Casriel's bonding therapie (new identity process), werken met chakra's, werken met haptonomische principes (Dijkhuis), werken met stem en geluid, in zekere zin videogestalt, voice dialogue, Thymopraktik, expression corporel, rebirthing, enz. Al deze therapieën, waarschijnlijk alleen op de danstherapie na, werden beoefend en verstrekt door aanvankelijk psychotherapeutisch georiënteerde hulpverleners. Die golf, vaak in gang gezet door verbazingwekkende workshops waar men in verzeild was geraakt tijdens buitenlandse therapie-congressen (de fameuze Lindauer Therapiewochen bijvoorbeeld), woei dan ook vooral richting psychotherapie, en een beetje richting psychomotorische therapie. De exclusieve positie van de PMT ging verloren voor wat betreft lichaamsgericht werken, maar bleef behouden voor wat betreft aan sport en gymnastiek georiënteerde werkvormen. Nadine Scott, Jay Stattman, Al en Diane Pesso, George Downing, de Boysens, Richard Peterson zijn voorbeelden van die, op uitnodiging, overgewaaide leermeesters en leermeesteressen. Er waren ook opleiders die zichzelf in het buitenland waren gaan scholen. Ik doel op collega's als Michael Tophoff. En er zijn hier, door bijvoorbeeld Amerikanen, opgeleiden met een eigen uitwerking: Hans Krens, Hans Knibbe, Manfred van Doorn, en vele anderen. Een andere oorzaak waardoor klinisch psychologen en psychotherapeuten in aanraking kwamen met de lichamelijke bestaanswijze van hun cliënten, was - omstreeks dezelfde periode - de opkomst in Nederland van de gedragstherapie. Bij die vorm van therapie moest de hulpverlener in staat zijn tot het geven van ontspanningstrainingen. Autogene training, de methode Jakobson, de senso-relaxatie van Bolhuis en Reynders, en andere ontspanningstechnieken werden eigen gemaakt. Bij al die vormen speelt aandacht voor het lichaam een belangrijke rol. Een derde reden waarom klinisch psychologen zich in lichaamsgeo-riënteerde vormen van therapie zijn gaan verdiepen, is van conjuncturele aard. Jaar na jaar studeerden meer klinisch psychologen af dan er vacatures waren op de arbeidsmarkt. De ijverigen onder de zoekers naar een baan gingen postdoctorale (en dan liefst tot de verbeelding sprekende) cursussen doen. En dat waren nogal eens lichaamsgerichte therapie-opleidingen (vaak gegeven door klinische psychologen die een paar jaar eerder zelf geen baan konden vinden, maar dit terzijde). Theoretische uitgangspunten Alle therapieën zijn afgeleid van een visie op het ontstaan en de instandhouding van de klacht. Soms krijgt die visie door veelvuldig wetenschappelijk onderzoek de status van een beproefde theorie, soms is sprake van een voorwetenschappelijke notie, die overigens heel bruikbaar kan zijn als referentiekader voor zowel therapeut als cliënt. Over die theoretische uitgangspunten nu iets meer: Het belangrijkste, althans het meest frequent aangehangen, idee is dat het lichaam het archief is van onze geschiedenis. Alles wat we in Freudiaanse zin verdrongen hebben, wordt vastgehouden in de vorm van chronische spierspanning. En het chronisch aanspannen van spieren kost een vermogen aan energie (zeker in het begin; later vormt zich bindweefsel om de verkorte spier). Die gebonden energie komt in mindering op de vitaliteit. Bovendien hebben permanent gespannen spieren uiteraard invloed op lichaamshouding, motorische souplesse, ademhaling, stemgebruik, en energetische doorstroming (men is letterlijk geblokkeerd). Een voorbeeld uit de zachte bio-energetica is wellicht op zijn plaats: met een vrouw van 34 werkte ik lichaamsgericht. Een keer lag ze op de 'mat' in een, naar eigen zeggen, ontspannen houding. Wat mij echter opviel, was dat haar twee voeten beide naar rechts wezen en haar hoofd naar links gedraaid was. Ik zei: "Het lijkt wel of je in een lange schroef ligt, kijk eens wat er gebeurt wanneer je je beide voeten naar links en je hoofd naar rechts draait". Ze deed dit, en raakte terstond in paniek. "Wat maakt je zo panisch?" vroeg ik. "Het voelt of mijn benen worden losgeschroefd". "Wat is daar erg aan?" "Dan kan ik niet meer weg". "Waar zou je dan van weg willen?" En op die vraag kwam een heldere herbeleving dat zij als leerling B-verpleegkundige elke week een ochtend met een vrij grote groep verstandelijk gehandicapte jongens moest werken, en dat de deur dan achter haar op slot werd gedaan, voor het geval ze de greep op de situatie verloor. Die ochtenden waren keer op keer een marteling voor haar geweest. Omdat medeleerlingen, die diezelfde taak ook hadden, nooit over angst in die situatie spraken, dacht zij steeds dat zij de enige was, waardoor zij er nooit over sprak met anderen, ook niet met haar supervisor. Zelfs rekening houdend met parallelle elementen in de therapiesessie (liggen, een mannelijke therapeut, dubbele deuren), dringt zich de evidentie op dat het lichaam toegang biedt tot oud, onverwerkt materiaal. Een tweede, door het echtpaar Pesso prachtig uitgewerkt idee, is dat het lichaam ons in staat stelt tot actie, en dat die actie altijd uit is op passende reactie. Bleef, bijvoorbeeld in de kinderjaren, die passende tegenactie uit, dan dooft de oorspronkelijke actie. Maar in de vorm van spanning, lichaamshouding, onbewuste gebaren, gelaatsexpressie, e.d., blijft die behoefte aan adequate interactie waarneembaar. Er is ook nog een derde uitgangspunt: het lichaam leent zich om succeservaringen mee op te doen. Depressieve patiënten met een fnuikende attributionele stijl blijken in een driemaands joggingprogramma enorm op te knappen. Hun lichamelijke conditie neemt niet alleen toe, maar ook hun zelfachting en hun attributionele stijl wijzigt zich ten goede (Bosscher, 1991). Het voorgaande brengt met zich mee dat het lichaam met alle opgeslagen ervaringen (traumatische, maar ook vreugdevolle) en alle opgeslagen onvervulde basisbehoeften, zich leent voor diagnostiek en voor behandeling. Over die diagnostiek een enkel woord: het vanuit de theorie en de werkervaring wellicht heel informatieve 'body reading' wordt bij het doorgeven van het geobserveerde aan de cliënt meestal veel te confronterend en daardoor buitengewoon verontrustend en/of kwetsend. Iemand schizoïde of masochistisch noemen op grond van zijn/haar lichamelijke verschijningsvorm, is ronduit dubieus. Via het lichaam en dan vooral de lichaamshouding van de cliënt zicht krijgen op de overdracht en via de eigen lichaamshouding en -sensaties oog krijgen voor de tegenoverdracht is een veel respectabeler gebruik (George Downing en ten onzent Willem Poppeliers). Wanneer men door studie, zelfervaring, oefening en nog eens oefening, intervisie en supervisie, gevoegd bij een clientcentered attitude, in staat is om op een verantwoorde, respectvolle en veilige manier, lichaamsgericht te werken, dan heeft men iets te bieden met een apart bereik. Om maar enkele domeinen te noemen: preverbale stoornissen laten zich moeilijk verbaal behandelen; via het lichaam vaak wel. Taalarme cliënten zijn vaak gebaat bij lichaamswerk, evenals cliënten die verbaliseren als afweer. Gewelds- en incestslachtoffers, waarvan velen uiterst gespannen zijn, altijd bang voor controleverlies of een impulsdoorbraak, waarvan sommigen een afkeer hebben van hun lichaam of hun lichaam kwijt zouden willen (zonder lichaam kun je niet gefolterd worden). Cliënten met eetstoornissen, met slaapstoornissen, met agressieremming, met agressieontremming. Cliënten die somatiseren. Bij alle hier genoemde klachten en kenmerken loont het de moeite na te gaan of de indicatie 'lichaamswerk' gesteld moet worden. Daarbij wijs ik op twee gevaren. Wie lichaamswerk niet ent op een degelijke therapiescholing en -ervaring, loopt grote kans zich te gedragen als de tovenaarsleerling: veel losmaken, maar het vermogen om dat, nogal eens zeer heftige, proces in goede banen leiden, schiet tekort. Het tweede gevaar schuilt in het aanraken. De abstinentieregel was niet alleen een hulpmiddel om de rijke, mooie, jonge, nogal eens aan hysterie lijdende, vrouwen lichamelijk op afstand te houden (men leze Nietzsche's tranen), maar ook noodzakelijk voor de voortgang van de analyse. Het gangbare communicatiemiddel in de psychotherapie is de taal, en taal is digitaal, d.w.z. symbolisch (het woord 'tafel' is niet de tafel; het woord 'borrel' op het programma is niet de wijn die we straks ruikend en proevend naar binnen laten vloeien). Taal houdt afstand en houdt daarmee het verlangen gaande. Aanraking is tastbaar en concreet en dat gratificeert het verlangen. Het is de verdienste van de Pesso's om ook aanraking op symbolisch niveau te brengen, nl. door rollen. Andere groepsleden (niet de therapeut) staan, t.b.v. degene die werkt, symbool voor goede en slechte ouders, en andere betekenisvolle figuren uit iemands geschiedenis. Aanraking mag bij de cliënt geen enkele aanleiding geven tot 'objectief' bewijs dat de therapeut meer dan professioneel geïnvolveerd is. Dat valt niet mee. Veel gedrag, en zeker aanraken, is multi-interpretabel. Er zijn dan ook lichaamsgericht werkende therapeuten die in aanwezigheid van een derde werken, een collega of ook wel en goede bekende van de cliënt. Onderzoek Zoals Fehlleistungen, dromen, overdrachtsverschijnselen, weerstand, afweer, vrije associaties, projectieve taken en zelfs partnerkeuze evenzovele 'bewijzen' zijn voor het bestaan van onbewust materiaal en de gedragsbeïnvloeding door dat materiaal, is er evidentie dat het lichaam opgevat kan worden als 'record' van de individuele geschiedenis. Door de Haarlemse huisarts Oosterhuis is bijvoorbeeld promotie-onderzoek gedaan naar de psychische karakteristieken die samenhangen met respectievelijk buik-, lage rug- en nekklachten. Gus Kaufman heeft samenhang kunnen aantonen tussen spanning in de onderbenen en het ontbreken van ouderlijke steun in de kinderjaren (ook een dissertatie). Ruud Bosscher is gepromoveerd op runningtherapie voorgeschreven (uit zichzelf zouden ze er niet aan zijn begonnen) aan depressieve patiënten. Hij doet nu onderzoek naar running en paniekaanvallen. Zijn onderzoekslijn is niet gebaseerd op de archief-gedachte, maar bevestigt wel het effectieve van een lijfelijke benadering wanneer het gaat om psychiatrische problematiek. Deze voorbeelden zijn bemoedigend; maar natuurlijk geen vrijbrief om fundamenteel en toegepast onderzoek nu verder maar op zijn beloop te laten. Niets praktischer dan een goede theorie. Bovendien moet door onderzoeksresultaten de politiek overtuigd worden. Zéggen dat het helpt, helpt niet. B.I.G. brother is watching. Samenwerking met een psychomotorisch therapeut (bijvoorbeeld bij gezins- en relatietherapie, geweldsslachtoffers, eetstoornissen) blijkt de laatste tijd in opmars, en met opmerkelijk goede resultaten. De deelnemende disciplines kunnen veel van elkaar leren en elkaar aanvullen. Het cliëntsysteem vaart er wel bij. Literatuur Attekum, M. van (1997) Aan den Lijve: lichaamsgerichte psychotherapie volgens Pesso, Swets & Zeitlinger, Lisse. Bosscher, R.J. (1991) Runningtherapie bij depressie, Thesis, Amsterdam. Lange, J. de (1995) Het gepasseerde lichaam: bewegingsruimte in de psychiatrische inrichting. Doct. scriptie Fac. der Bewegingswetenschappen, V.U. Amsterdam.
|
||||||||||