|
|
|
||||||||||
![]() |
Nel Jongsma-Tieleman
Voor ons, volwassen mensen is het vanzelfsprekend dat menselijk leven meer is dan biotisch vegeteren, leven als een plant. Wanneer mensen door ziekte of een ongeval niet meer zijn dan dat beschouwen wij deze mensen eigenlijk als dood, en overwegen wij euthanasie. Het is voor ons wezenlijk dat een mens meer is dan zijn of haar lichaam. Een mens heeft ook een psy-chisch en een spiritueel leven. Ons leven begint echter voor een zeer groot deel op lichamelijk niveau. De foetus en de pas geboren baby zijn nog grotendeels lichaam. Er is wel communicatie mogelijk, maar dit gaat via de zintuiglijke waarneming van het lichaam. En ook het uitdrukken van gevoelens gebeurt grotendeels lichame-lijk. Hoezeer de zeer kleine baby lichamelijk is, en hoe belangrijk het lichame-lijke is voor het verwerven van basisvertrouwen blijkt wanneer we enkele gangbare begrippen uit de ontwikkelingspsychologie bezien. Lichamelijkheid Bowlby (1969) ziet in de kleine baby de 'attachment drive' aan het werk. Hermann (1976) spreekt van 'sich anklammern'. Voor een gezonde ontwik-keling is het nodig dat een kind zich kan vastgrijpen, zich letterlijk lichame-lijk kan hechten aan moederende ouders. Alleen op die voorwaarde krijgt het kind ook in figuurlijke zin greep op de wereld. Anzieu (1989) spreekt van een 'skin ego': het ik ontwikkelt zich allereerst aan de huid. De baby voelt zichzelf en anderen vooral via tactiele ervaringen. De communicatie met anderen komt voornamelijk tot stand via de huid. Volgens Anzieu heeft een baby eerst de onbewuste fantasie dat baby en moederende ouder een gemeenschappelijke huid hebben. Langzamerhand, in de loop van de ontwikkeling naar separatie en individuatie, krijgt de baby het gevoel een eigen huid te hebben. De huid, het 'skin ego', heeft behalve de functie van communicatie nog twee belangrijke functies. Allereerst: de huid werkt als een soort 'container' die de goede ervaringen van het kind vasthoudt en omvat. Daarnaast heeft de huid een 'retaining function': de huid vormt een grens tussen binnen- en buitenwereld, en beschermt tegen penetratie van buitenaf. Dit 'skin ego' kan zich alleen goed ontwikkelen wanneer het kind voldoende bevrediging heeft gevonden van de hechtingsdrift, en voldoende positieve huidervaringen heeft opgedaan aan moederende ouders. Door deze positieve lichamelijke ervaringen krijgen lichamelijke prikkels een bepaalde zin, 'meaning': zij verwijzen naar bevrediging van behoeften, naar liefde, zorg en begrenzing, en daardoor scheppen ze bepaalde verwachtingen. Lichamelijke prikkels worden hoe langer hoe meer psychisch: ze krijgen een emotionele betekenis. Winnicott (1974, 1985) benadrukt telkens weer dat de pasgeboren baby totaal afhankelijk is van een moederende omgeving. Als basis voor een gezonde ontwikkeling is er een 'holding environment' nodig. De baby moet lijfelijk aan de omgeving voelen dat hij wordt vastgehouden en gedragen. De baby ontleent aan die ervaringen een gevoel van veiligheid en basisvertrouwen. De school van Melanie Klein belicht weer een ander facet van het lichamelijk substraat van de emotionele ontwikkeling. Bevrediging en frustratie van behoeften wordt lichamelijk ervaren, bijvoorbeeld als zich verzadigd voelen, honger of pijn. Deze lichamelijke ervaringen echter worden door de kleine baby ervaren als concrete interne objecten die een eigen leven hebben. Het is prettig om het goede interne object vast te houden. Maar het kind wil het slechte interne object zo vlug mogelijk kwijt raken, en dat gebeurt aanvankelijk vooral lichamelijk: door slaan en schoppen bij pijn, of bijvoorbeeld door te proberen het lijfelijk als ontlasting uit te drukken. In ons spraakgebruik kunnen we de fantasie van het interne object nog terug vinden: 'honger knaagt aan mij', 'ik voel vlinders in mijn buik', en wanneer iets zo walgelijk is dat ik het bijna niet aankan 'ga ik ervan over m'n nek'. In therapeutische gemeenschappen zegt men van iemand die zijn emoties niet kan uiten: 'hij raakt zijn shit niet kwijt'. Het verdedigingsmechanisme van de projectieve identificatie is bij de kleine baby voor een groot deel lichamelijk. De baby probeert letterlijk het negatieve stuk in en van zichzelf eruit te gooien. De moederende ouder pakt het kind op, houdt het tegen zich aan zodat de voorkant van het lichaam van de baby helemaal contact maakt, klopt het kind op de rug, en vangt het zo op. Daarin functioneert de moederende ouder als een 'container'. Daaraan zijn twee aspecten te onderscheiden. Allereerst geeft de moederende ouder als het ware vorm aan de primitieve lichamelijke reactie van het kind: 'Heb je zo'n verdriet? Heb je pijn in je buik?' En doordat de volwassene vorm geeft aan de reactie van het kind kan het kind dat weer terug nemen, en langzamerhand leren het negatieve interne object te voelen als een emotie. Het kind leert op deze manier lichamelijke ervaringen en signalen op psychisch niveau te voelen. En nog veel later leert het deze emoties ook te verwoorden. Daardoor kan het deze gevoelens beter aan anderen meedelen, er zelf meer greep op krijgen, en er beter mee omgaan. Er is echter nog een tweede aspect aan het functioneren als een 'container' voor de op een primitieve manier eruit gegooide ervaringen van het kleine kind. De moederende ouder laat door het lichamelijk vasthouden het kind ook voelen: 'ik kan je negatieve ervaringen houden, ik kan er wel tegen'. Daaraan kan het kind het vertrouwen ontlenen dat het niet door zijn woede en pijn overspoeld en vernietigd hoeft te worden, en dat deze heftige gevoelens ook niet de moederende ouder vernietigen. Het kind leert op deze manier dat gevoelens niet almachtig zijn, maar dat het mogelijk is ze te kanaliseren, uit te drukken en te beheersen. Symbolisering Het is voor de verdere ontwikkeling van het kleine kind uitermate belangrijk dat het kind leert zich door middel van de taal te uiten en dat het leert omgaan met symbolen. Symboliseren houdt namelijk in dat men voor het gevoel van veiligheid en voor behoeftebevrediging niet meer louter is aangewezen op wat letterlijk aanwezig is. Symboliseren betekent ook dat men steun en bevrediging kan ontlenen aan iets in de werkelijkheid dat daarnaar verwijst. Zoals, volgens Winnicott, de teddybeer het kind in de afwezigheid van moederende ouders kan troosten en geruststellen. Het kind is dan bezig zich een inwendig beeld te vormen van goede moederende ouders, en het leert iets van moederende ouders te ervaren aan andere objecten in de werkelijkheid. Het kind leert ook heftige emoties ( zoals kwaadheid) te uiten op symbolisch niveau: bijvoorbeeld door de beer, het transitionele object, te slaan in plaats van de nieuwe baby; of door kwaadheid te uiten in woorden, en niet in slaan en schoppen. Wanneer men leert te symboliseren is men minder afhankelijk van de feitelijke toestand van de omgeving en verwerft men zich een innerlijke kracht. Maar ook: men is bij het omgaan met heftige emoties en driftmatige verlangens niet meer aangewezen op primitieve afweermechanismen als splitting en projectieve identificatie, en op acting-outgedrag. Volgens de school van Melanie Klein kan men alleen leren symboliseren wanneer men toekomt aan de depressieve positie (Segal,1992). Dat betekent: niet meer onmiddellijk alle negatieve ervaringen letterlijk eruitgooien, en niet meer de ander de negatieve ervaringen laten voelen die men zelf niet wil voelen (projectieve identificatie). In plaats daarvan echter: langzamerhand het gevoel toelaten dat moederende ouders en de rest van de wereld niet volmaakt zijn, en ambivalente gevoelens leren accepteren. Dat is een soort rouwproces. Maar alleen langs de weg van zo'n rouwproces leert een kind onvolmaakte ouders en een onvolmaakte wereld te accepteren als 'goed genoeg', en leert het genoegen te nemen met een 'symbolisch hapje', wanneer dat nodig is. Traumatisering Wat gebeurt er nu wanneer een kind in primaire relaties wordt getraumatiseerd? De traumata die hier zijn bedoeld zijn per definitie lichamelijk. Wanneer een kind zich lichamelijk niet veilig en verzorgd kan voelen verwerft het geen basisvertrouwen en leert het niet met een houding van vertrouwen en hoop in de wereld te staan. Het 'zit niet lekker in z'n vel'. De huid voelt niet als een grens tussen binnen- en buitenwereld. Men heeft niet het gevoel dat men binnen de eigen huid zichzelf kan zijn. En men kan de huid ook niet gebruiken als communicatiemiddel. Men heeft het gevoel open te staan voor de buitenwereld. Dit houdt enerzijds in dat men geen greep heeft op de buitenwereld. Maar anderzijds betekent het dat men blijft hangen in omnipotentiefantasieën. Doordat er te veel traumatische ervaringen aan den lijve zijn ervaren verwijzen lichamelijke prikkels niet naar de mogelijkheid van veilig contact en verzorgd worden, maar zijn deze prikkels signalen die waarschuwen dat er gevaar is. Het lichaam wordt gevoelsmatig als slecht beleefd, en geassocieerd met pijn, schending van de eigen integriteit, met letterlijk of figuurlijk verkracht worden. Dit levensgevoel kan zich op verschillende manieren uiten. - Men voelt geen lichamelijke of emotionele reactie op de omgeving. Wij hebben bijvoorbeeld cliënten die altijd rondlopen met blote voeten, hoe koud het ook is, en die geen kou voelen. - Er treedt dissociatie op wanneer men zich bedreigd voelt of wanneer bedreigende gevoelens te dichtbij dreigen te komen. - Er is sprake van counterfobisch gedrag: men zoekt gevaar en lokt agressie uit om zichzelf en anderen te bewijzen dat het je niets doet. - Men herhaalt onbewust het traumatische verleden, men ensceneert telkens weer relaties die lichamelijke en/of psychische mishandeling met zich meebrengen, en men heeft daarbij het gevoel dat allemaal te kunnen verdragen. - Men heeft de neiging voor anderen te zorgen, of voor anderen in de bres te springen en de klappen voor anderen op te vangen. - De te grote openheid voor de buitenwereld is soms af te lezen aan de manier waarop iemand zit of ligt: met de benen wijd gespreid. - De huid voelt wordt niet ervaren als grens tussen binnen- en buitenwereld. Daarom is het soms of men krampachtig de huid gesloten houdt: men kan niet zweten. - Lichaamssignalen als pijn, spanning, vermoeidheid, worden ervaren als storend en worden genegeerd. Het lichaam wordt beschouwd als een mechanisch instrument: een auto met stevige schokbrekers, bumpers en een goede kooiconstructie die alle klappen moet kunnen opvangen; die ook altijd moet starten en gebruiksklaar zijn, maar zonder dat men benzine hoeft te tanken of om de olie hoeft te denken. - Er treedt somatisatie op: lichamelijke klachten die een verhulde uiting zijn van zich gekwetst en tekortgekomen voelen, maar die tegelijk functioneren als een afleidingsmanoeuvre om de emoties maar niet te voelen. De dokter moet dan 'iets geven', maar de emotionele behoeften en kwetsbaarheid (waarom het gaat) blijven buiten schot. - Men kan niet omgaan met emoties. Men kan deze niet kanaliseren en uitdrukken in woorden en symbolen. Soms treedt er in plaats van het voelen van emoties grote bewegingsonrust op. Of herinneringen komen met fotografische scherpte naar boven in de vorm van eidetische beelden die men niet kan plaatsen, en die geen associaties oproepen. - Men moet alles onder controle kunnen houden. - Het trauma is of verdrongen of het wordt gebagatelliseerd. - Wanneer een getraumatiseerd kind later terechtkomt in een verslaving mishandelt het zijn lichaam nog meer. Pesso-psychotherapie Wat heeft de Pesso-psychotherapie aan deze getraumatiseerde mensen te bieden? Pesso-psychotherapie kan, zeer kort, gekarakteriseerd worden als een individuele therapie in een groep en als een driedimensionale psychotherapie 'on analytic lines'. Men gaat daarin uit van de psychoanalytische ontwikkelingspsychologie en men beoogt ook bewustwording van onbewuste conflicten. De toegevoegde derde dimensie is, dat men daarin gebruik maakt van lichaamssignalen en van lichamelijke interactie in rollenspel. Het lichaam heeft een eigen geheugen waardoor traumata worden vastgehouden. Een voorbeeld hiervan is: het gevoel dat er iets verstikkends om de nek ligt. Dit kon worden teruggevoerd op een geboorte-ervaring: bij de geboorte lag de navelstreng om de nek van de baby. Het lichaam houdt echter ook het verlangen naar bevrediging van basale behoeften vast, en geeft signalen af die zowel waarschuwend als richtinggevend zijn. In de therapie gebruikt men deze signalen, en gaat de therapeut met de cliënt op zoek naar interactie die het gevoel geeft: 'dit is wat ik altijd heb gemist'. In de Pesso-psychotherapie leert de cliënt naar het lichaam te luisteren en hoe langer hoe meer te voelen wat het lichaam 'wil'. De cliënt geeft daar in zijn of haar lichaamshouding of beweging vaak zelf onbewust aanwijzingen voor. Bijvoorbeeld: wanneer iemand krampachtig de armen voor de buik houdt kan de therapeut vragen: 'Wat doe je met jezelf? Wat geef je jezelf door je armen zo te houden?' Vaak is dat warmte, veiligheid of bescherming. Dan kan de therapeut vragen: 'Hoe zou het zijn als iemand je warmte, c.q. veiligheid, bescherming gaf?' Dan komt de tweede manier van het benutten van het lichaam aan de orde: de cliënt kan lichamelijk warmte, veiligheid, bescherming ervaren. Men kan daarin als het ware teruggaan naar de taal van het heel kleine kind. Dit gebeurt met behulp van andere groepsleden, in de vorm van rollenspel. Het gaat hier om rollenspel, en dat betekent: het is een 'spel van de verbeelding', op symbolisch niveau. En dat wordt telkens weer benadrukt doordat de rollenspeler altijd via een bepaald ritueel zijn of haar rol op zich neemt, en aan het eind van de therapiebeurt ( 'structure' genoemd) weer aflegt: 'ik neem de rol op mij van...' en 'ik speel niet meer de rol van..., ik ben nu weer ...'. Echter, de ervaring die men tijdens een structure aan rollenspelers opdoet is reëel, en daardoor ook werkzaam. Het is te vergelijken met wat kinderen beleven aan sprookjes, of met wat er gebeurt in een speltherapie van een kind. Er zijn ook duidelijke spelregels: de rollenspelers ('accommodatoren') vullen niet zelf hun rol in, maar passen zich daarin helemaal aan degene die 'werkt' aan: degene die 'werkt' zegt wat zij moeten zeggen en doen. De cliënt houdt dus zeggenschap over wat er in de structure gebeurt. De therapeut helpt om de juiste accommodatie te vinden, en treedt corrigerend op wanneer de cliënt onbewust het (negatieve) verleden reconstrueert. Bij het rollen spelen wordt verder gebruik gemaakt van polarisatie, vergelijkbaar met wat er gebeurt in sprookjes. Wat men als negatief heeft ervaren aan een belangrijke andere wordt vorm gegeven in een negatieve rol, via negatieve accommodatie. En dat wat men eigenlijk had verwacht van de belangrijke andere wordt gespeeld door een positieve accommodator, die de rol op zich neemt van de ideale... De positieve accommodator kan de cliënt lijfelijk laten voelen hoe het had kunnen zijn in het ideale geval. Deze polarisatie heeft dezelfde functie als het verdedigingsmechanisme van de splitting in de fase van de projectieve identificatie bij het zeer jonge kind. Het goede wordt buiten bereik van het kwade gehouden, en men kan het kwade wegsturen met behoud van het goede. Men kan bijvoorbeeld een 'negatieve vader' wegsturen en dan aan een 'ideale vader' voelen hoe het is wanneer een vader voor je zorgt, je beschermt en bevestiging geeft. Het gebruik maken van rollenspel heeft nog een andere functie. Doordat men laat spelen wat men eerst als een (soms nooit geuite of gerealiseerde) ervaring in zich had wordt een zekere afstand geschapen: men kan zien wat men in die ervaring met zichzelf en met anderen doet. Een voorbeeld hiervan: iemand kiest een medegroepslid in de rol van 'ideale moeder', en staat haar eigen plaats af aan de 'ideale moeder'. Zij heeft dan niet in de gaten wat ze eigenlijk doet. Maar wanneer de therapeut daarnaar vraagt ontdekt ze dat ze er heel vanzelfsprekend vanuit gaat dat ze zichzelf moet inleveren om iets te krijgen van een moeder. Deze ervaring kan in de structure geplaatst worden in de rol van de 'negatieve moeder', terwijl de 'ideale moeder' kan zeggen en laten voelen: 'ik ben er voor jou, jij hoeft niets voor mij te doen; je wordt onvoorwaardelijk geaccepteerd'. Men kan dus in de Pesso-psychotherapie 'corrective experiences' opdoen. Dat is belangrijk, omdat men daardoor langzaamaan een ander innerlijk beeld van zichzelf, de medemensen en van de wereld kan krijgen. Men kan leren dat het mogelijk is zich veilig te voelen, en dat men mag hopen op bevrediging van basale behoeften. Men krijgt een 'symbolisch hapje' van wat men in de jeugd heeft gemist, en men kan dat lijfelijk ervaren. Men kan niet letterlijk het leven overdoen, maar men kan in voldoende mate op symbolisch niveau zoveel reële positieve ervaringen opdoen dat men met voldoende basisvertrouwen in het leven kan staan. Daarnaast wordt in de Pesso-psychotherapie door het gebruik van negatieve accommodatie de gelegenheid geboden om op een veilige manier lang opgekropte agressie te uiten. In de Pesso-psychotherapie komt de ervaring dus eerst. Bewustwording en verwoording van wat er gebeurt vormen echter ook een belangrijk element in de therapie. Aanwezigheid en versterking van het 'observing ego' worden noodzakelijk geacht. De Pesso-psychotherapie heeft, door op een veilige en gestructureerde manier gebruik te maken van het lichaam, veel te bieden aan getraumatiseerde mensen. Maar dat betekent niet dat de therapie altijd van een leien dakje en 'volgens het boekje' gaat. Er wordt zowel van cliënten als van therapeuten hard en moeilijk werk gevraagd. Pesso-psychotherapie is opgenomen in het voorzieningenpakket van de therapeutische gemeenschappen en van de polikliniek van Nieuw Hoog Hullen. Sommige getraumatiseerde cliënten durven het niet goed aan, en doen helemaal niet mee of houden zich op de vlakte. Anderen volgen alleen Pesso-psychotherapie tijdens hun opname. De veiligheid van de (kleine) groep blijkt voor hen een belangrijk positief element te zijn. Maar ook het werken met het lichaam is voor velen een verrassende ervaring. Men is verbaasd dat men via het lichaam lang vergeten ervaringen op het spoor komt (dat is ook wel eens beangstigend!), maar ook dat lichamelijke interactie zo'n goed gevoel kan geven. En verder wordt hun motivatie versterkt doordat ze zelf in de hand hebben hoever ze in hun structure willen gaan. Het is uitermate belangrijk dat de Pesso-psychotherapeut toont respect te hebben voor weerstanden, zodat men niet bang hoeft te zijn geforceerd ('overweldigd' en 'verkracht') te worden. Het is namelijk wezenlijk voor de Pesso-therapie dat de therapeut bij het optreden van weerstanden eerst met de cliënt de weerstand verkent, de oorzaak daarvan probeert op te sporen, en op grond daarvan de in de structure neergezette situatie zo veilig probeert te maken dat weerstanden niet meer nodig zijn. En wanneer dat niet lukt accepteert de therapeut dat er alleen gepraat wordt. Pesso-therapie bij vroeg getraumatiseerde mensen begint altijd met het werken aan basisveiligheid. Pas wanneer men zich voldoende veilig voelt komt het verwerken van het trauma aan de orde. Het verwerven van voldoende basisveiligheid is vaak moeilijk. Vaak is men zo mishandeld en in de steek gelaten dat men zich niet kan voorstellen dat het überhaupt mogelijk is zich bij mensen veilig te voelen. Dan probeert de Pesso-psychotherapeut samen met de cliënt uit te vinden waaraan men vroeger gevoelens van veiligheid ontleende. Vaak was er iets waar men in moeilijke omstandigheden een toevlucht zocht: zoals een boom, de zee, een huisdier. Wanneer men in het definiëren van een positieve rol aansluit bij die ervaring wordt het vaak wel geloofwaardig: 'iemand als een boom', of 'iemand als Bello' (de hond). Soms blijft het aanvankelijk daarbij. Soms fungeren deze rolfiguren als een brug naar het ervaren van betrouwbaarheid en veiligheid aan mensen, en soms ook naar het accepteren van 'ideale ouders'. Dit laatste gebeurt echter in veel gevallen pas na een aantal structures. Een groot deel van onze getraumatiseerde cliënten gaat na het beëindigen van het programma niet verder met de Pesso-therapie. Dit is in veel gevallen niet omdat het hen niets opleverde. De Pesso-groep wordt over het algemeen positief gewaardeerd. Ik vermoed dat velen niet doorgaan met deze therapie omdat zij bang zijn voor de pijn die zij dan zullen voelen. In de Pesso-groep merken zij soms dat de pijn van het trauma hen onverwacht lichamelijk en heftig kan overvallen. Sommigen gaan wel door met psychotherapie, maar verkiezen een individuele setting. Dat is voor hen veiliger dan werken in een groep. Een aantal cliënten echter wil zijn of haar negatieve ervaringen helemaal doorwerken, ook met behulp van Pesso-psychotherapie. Daartoe is er in het kader van de polikliniek een doorgaande Pesso-groep die nu negen jaar bestaat. De deelnemers kunnen daarmee doorgaan zolang ze dat nodig vinden. De ervaring leert dat daarvan geen misbruik wordt gemaakt. Niemand is voor zijn plezier in een Pesso-groep, en niemand blijft langer dan nodig is omdat het zo gezellig zou zijn! Niet alle deelnemers aan deze groep zijn getraumatiseerd in strikte zin. Het overgrote deel is echter wel in affectief opzicht vroeg en veel tekort gekomen. Dat betekent dat cliënten en therapeut lang en hard moeten werken, en dat men soms door diepe dalen van wantrouwen en cynisme moet gaan. Het kan gebeuren dat structures vastlopen en dat men niet tot een goede afloop komt. Dan komt het erop aan dat de therapeut kan functioneren als een 'container' van de wanhoop en het wantrouwen van de cliënt: dat men blijft hopen en vertrouwen, deze negatieve ervaringen aankan en hoopvol overleeft. Wanneer iemand op de bodem van zijn of haar basale wantrouwen is kan men niet meer op het symbolische niveau van een structure werken, maar zijn er ervaringen aan 'letterlijke' mensen nodig. De andere groepsleden zijn voor getraumatiseerde mensen dan ook bijzonder belangrijk. Soms kunnen andere groepsleden vroegere traumata oproepen en versterken, bijvoorbeeld wanneer iemand uitingen van agressie in een structure van een medegroepslid niet aankan. Dan wordt bij dat medegroepslid weer het gevoel versterkt: 'mijn boosheid is vernietigend, men kan het niet aan en ik word erom veroordeeld'. Maar ook kunnen groepsleden elkaar geweldig helpen en goede ervaringen bezorgen. Bijvoorbeeld toen een vrouw na een structure met veel agressie verzuchtte: 'ik wou dat ik zo boos kon worden'. Dergelijke dingen heeft een therapeut niet in de hand. Soms moet er tijd worden uitgetrokken voor werken aan de groepsinteractie, onder andere om onderlinge projecties uit de weg te ruimen en het groepsklimaat te zuiveren. Het is onze ervaring dat de combinatie van individuele en Pesso-psychotherapie bijzonder vruchtbaar is. In de individuele psycho-therapie praat men vaak over dingen die nog te moeilijk en te pijnlijk zijn om in een groep te vertellen. En men kan in de individuele therapie ook veilig praten over wat men soms oploopt aan medegroepsleden. In de Pesso-groep trekt men zich op aan de solidariteit en de warmte binnen de groep, kan men het kind-in-zichzelf ook lijfelijk warmte, veiligheid en bescherming laten ervaren, en op een veilige manier agressie uiten met de intensiteit die men voelt. Dit doorwerken van vroege traumata kost veel tijd, soms wel vijf jaar of meer. Maar er kunnen dan wonderen gebeuren: op het gebied van persoonlijkheidsgroei, relaties en werk of opleiding. En dit heeft weer een groot uitstralingseffect op andere groepsleden: 'wanneer jij met jouw levensgeschiedenis dat kan, dan kan ik ook veranderen'. Ook voor de therapeut is het zeer belangrijk dit te kunnen meemaken: om daaruit hoop en vertrouwen te putten. En, last but not least, het doorwerken van traumata heeft een preventief effect op volgende generaties. De negatieve spiraal van de herhalingsdwang is doorbroken. Literatuur Anzieu, D. (1989). The skin ego. New Haven/Londen: Yale University Press. Bowlby, J. (1969). Attachment. Londen: Hogarth. Hermann, I. (1976). Clinging - going-in-search. Psychoanalytic Quarterly 45, 5-36. Hinshelwood, R.D. (1991). A dictionary of kleinian thought. Londen: Free Association Books. Moser, T. & A. Pesso (1991). Strukturen des Unbewussten. Protokolle und Kommentare. Stuttgart: Klett-Cotta. Pesso, A. (1969). Movement in psychotherapy. Psychomotor techniques and training. New York/Londen: New York University Press/University of London Press Limited. Pesso, A. (1986). Dramaturgie des Unbewussten. Eine Einführung in die psychomotorische Therapie. Übersetzt und eingeleitet von Tilmann Moser. Stuttgart: Klett-Cotta. Pesso, A. en J. Crandell (1991). Moving psychotherapy. Theory and application of Pesso System/psychomotor therapy. Brookline Books. Pruyser, P. (1983). The play of the imagination. Toward a psychoanalysis of culture. New York: Internal Universities Press. Segal, H. (1992). Dream, phantasy and art, tweede druk. Londen/New York: Tavistock/Routledge. Winnicott, D.W. (1974). Playing and reality. Middlesex: Penguin. Winnicott, D.W. (1985). The maturational processes and the facilitating environment. Londen: Hogarth.
|
||||||||||