|
|
|||||||||||
![]() |
|
download een printbare versie (Word formaat)
Omnipotentie en limitering in Pesso-psychotherapie
Dit artikel geeft aan hoe het thema omnipotentie en limitering samenhangt met vroege ontwikkelingsfasen van het jonge kind. Eerst worden redenen aangegeven om therapeutisch te werken met lichamelijke limiteringstechnieken (1). Aan bod komen onderwerpen als haat, schuldgevoel, narcistisch isolement, parentificatie, promiscuïteit en 'acting out' (2). Om de cliënt zijn of haar autonomie te respecteren moeten de interventies worden toegepast volgens de principes van 'flexibiliteit', 'validering' en 'stap voor stap' (3). Het artikel sluit af met een bespreking van specifieke technische benaderingen bij bepaalde problemen (4) en noemt een aantal mogelijke valkuilen (5). 'A child is born with a powerful genetic nature, having capacities to affect and be affected by the external world. It needs to discover, by loving interactions, that those powers are not uncontrollable, omnipotent or infinite. The lovingly limited child can evolve into a free spontaneous adult without fear of its genetic forces or going out of control'. Met deze woorden introduceert Albert Pesso (1994) limitering of begrenzing als een basale behoefte van het zich ontwikkelende kind. Samen met de principes van polarisatie - het opsplitsen van bijvoorbeeld een ouderfiguur in positieve en negatieve aspecten - en accommodatie - het bieden van lichamelijk contact dat precies bij de behoeften aansluit - is de techniek van lichamelijke limitering in een therapeutische setting een belangrijk vernieuwend element in de Pesso-methode. Het ontbreken van limitering bij het jonge kind kan leiden tot destructie, niet alleen op een individueel maar ook op een maatschappelijk niveau (Cooper 1992). Hoewel psychotherapie in principe een vak is dat zich op kleine schaal bezighoudt met individuen en gezinnen, kan de therapeut niet zonder meer terzijde blijven als het gaat om een visie op de noodzaak van veilige begrenzing in een bredere, sociale context. Dat onvoldoende gelimiteerd worden als kind vergaande individuele én maatschappelijke gevolgen kan hebben, is mede de motivatie dit artikel te schrijven. Omnipotentie, limitering en het lichaam Het bestaan is begrensd in de tijd. Het menselijk lichaam is begrensd in de ruimte, de huid vormt de natuurlijke begrenzing tussen binnen en buitenwereld. We kunnen maar op één plaats tegelijk zijn, we zijn niet alomtegenwoordig ('omnipresent', Howald 1992). De eigenschappen en mogelijkheden die we bij de geboorte meekrijgen zijn talrijk maar niet onbegrensd en juist die begrenzing maakt dat ieder mens uniek is. Grenzen definiëren het 'ik' en het 'niet-ik'. Door grenzen blijft de menselijke integriteit intact, vervloeien we niet met de ander of met de ruimte om ons heen. Met grenzen hebben we een eigenheid, een contour, een 'psychologische huid' (Anzieu 1989). Anders gezegd: grenzen definiëren het mens-zijn en de identiteit. Dat neemt niet weg dat mens-zijn ook betekent dat we grenzen kunnen verleggen en overschrijden en ons met het universum verbonden kunnen voelen. Maar zónder grenzen raken we onze menselijke maat kwijt, maken we onszelf groter dan we zijn, almachtig, omnipotent, grandioos: we 'blazen onszelf op'. Deze inflatie van het zelf leidt uiteindelijk tot tegenovergestelde ervaringen van zich onbetekenend, nietig en machteloos voelen. Onder de noemer van 'omnipotentie problematiek' vallen almachtsgevoelens, grootheidsfantasieën en ongelimiteerde agressie, maar ook onbegrensde openheid, onverzadigbare honger en bodemloos verdriet, welke gepaard kunnen gaan met gevoelens van schuld, onmacht en nietigheid. Omnipotentieproblemen vinden hun oorsprong in vroege stadia van de ontwikkeling. Het jonge kind heeft een veilige omgeving nodig om te kunnen experimenteren en in interactie met anderen grenzen te leren kennen. Daarbinnen kan het ervaren dat zijn aangeboren krachten waardevol zijn, zonder bang te hoeven zijn de controle te verliezen. In een normaal verlopende ontwikkeling zal het kind, binnen de beperkingen die het leven stelt, leren genieten van vrijheid, creativiteit en plezier. In betrouwbare, lichamelijke interacties met de ouders of verzorgers - door geknuffeld te worden, huidcontact te voelen, vastgehouden en bewogen te worden - zal het eerste pre-verbale besef ontstaan van de eigen contour en afgrenzing tegenover de omgeving. Deze eerste concrete, lichamelijke ervaringen van de baby, leggen het psychologische fundament voor de meer abstracte en symbolische ervaringen op emotioneel en cognitief niveau (Stern 1985, Pesso 1994). De vorming van psychologische ego-grenzen is in oorsprong lichamelijk-zintuiglijk van aard (Sommeling 1996). Dit maakt begrijpelijk dat in ontdekkende, verbale psychotherapie met volwassenen, omnipotentie-problematiek vaak weinig aan bod komt (Perquin 1994). Met omnipotentie verbonden onbewuste impulsen zijn onlosmakelijk met het lichamelijk beleven verbonden. Wanneer een klein kind furieus is, schreeuwt, stampvoet, slaat en probeert te bijten, terwijl de omgeving het negeert, uitlacht of straft, ontbreekt de onmisbare ervaring van veilig begrensd worden. Het kind zal deze ervaring internaliseren als onhanteerbaar, beangstigend, overspoelend en beschamend. Als voorbeeld kijken we naar een kind dat een 'Temper Tantrum' of 'anoxic spell' doormaakt, een driftbui waarbij zuurstoftekort optreedt. Het kind raast van woede en frustratie, schreeuwt vanuit de buik, slaat met de armen en benen en rolt over de grond met het hoofd achterover. Als het tijdens deze aanval van razernij niet door iemand wordt opgepakt en vastgehouden, zal het vanzelf begrensd worden door de fysiologische respons van het eigen lichaam. Eerst stopt het ademen en na enige tijd loopt het blauw aan en zal dan naar adem gaan happen: 'gasping'. Het zuurstofgebrek, - de anoxie - heeft als gevolg dat het kind geen uiting meer kan geven aan zijn razernij. Hart en longen kunnen niet langer de zuurstof leveren die de spieren voor de stofwisseling nodig hebben. Het is alsof de woede groter is dan het eigen lichaam kan bevatten. Daarna wordt het kind bleek en slap en geeft zich over aan lichamelijke uitputting. De meeste ouders en verzorgers weten intuïtief dat het kind vanaf het begin van zo'n aanval lichamelijke steun en begrenzing nodig heeft. Zij zullen het kind van de grond oppakken en het vasthouden in de veilige beschutting van schoot en armen, waarin het zijn woede kan uitdrukken. Wanneer deze primitieve impulsen tot expressie komen, lijkt lichamelijke 'holding' onmisbaar om deze natuurkrachten op te vangen, zodat zij kunnen worden toegeëigend en geïntegreerd (Pesso 1984). Een tekort aan begrenzende interactie, -ouders die het kind aan zijn lot overlaten- evenals de ontkenning van het bestaansrecht van deze razernij, -ouders die het kind zijn expressie verbieden, bestraffen of beschamen-, zal door het Ego worden geïnternaliseerd als een algemeen verbod op het uiten van agressie. In de ontwikkeling is te weinig 'holding' geweest, het kind is in zijn of haar razernij letterlijk te weinig vastgehouden op zo'n manier dat het voelde dat het zijn fysieke kracht op een veilige manier kon en mocht uiten. Het zal door gebrek aan begrenzing van buitenaf, zo angstig worden voor destructie, dat het compensatie vindt door zichzelf van binnenuit te beheersen met eigen lichamelijke controlemechanismen (van Dijk, 2000). Het Ego gaat voor dit aspect van het zelf fungeren als een 'dwangbuis', een 'keurslijf' of een 'strak zittend pak' (Pesso 1991). Daarin is geen ruimte voor de ontwikkeling van en omgang met agressieve impulsen, kracht en creatieve energie. Ook op latere leeftijd worden daardoor veilige en sociaal aanvaarbare uitingen van agressie, zoals assertiviteit, besluitvaardigheid en het opkomen voor eigen of andermans belangen onvoldoende geoefend en te weinig lichamelijk en verbaal eigen gemaakt. Mechanismen als verdringing, reactieformatie, projectie en projectieve identificatie maken dat de agressie een duistere, onbekende kracht blijft. Uit angst voor negatieve gevolgen, uit schaamte en schuldgevoel zullen de impulsen onder de drempel van de bewuste gewaarwording blijven, of worden uitgeageerd in destructief gedrag. Veel psychische problemen kunnen begrepen en benaderd worden als vormen van te vroeg aangeleerde, premature zelflimitering. Zij zijn het gevolg van het onvermogen van het individu om agressie op een gezonde manier te uiten en te reguleren. Voorbeelden daarvan zijn: dwangmatigheid, somatisatie, angststoornissen, depersonalisatie, depressieve klachten, verslaving, zelfdestructief gedrag, zoals automutilatie en vormen van acting out, zoals promiscue gedrag. Bovenstaande opmerkingen over omnipotentie en limitering dienen slechts om de technische bespreking over limitering binnen de Pesso-psychotherapie die nu volgt, een kader te geven. De specifieke uitwerking van de ontwikkelings-psychologische processen en de intrapsychische structuur die uit ervaringen van limitering voortkomen, is te vinden in de literatuur van de ego- en objectrelatietheorie (Crandell 1991, Mott 1992). Een bespreking van dit uitgebreide domein van theorievorming uit de psychoanalyse valt buiten het bestek van dit artikel.
Lichamelijke limitering in Pesso-psychotherapie Pesso-psychotherapie biedt een unieke benadering van thema's die met omnipotentie samenhangen. De in detail uitgewerkte lichamelijk gerichte therapeutische techniek om de cliënt veilige begrenzing te laten ervaren, is in geen andere vorm van psychotherapie zo consequent doordacht en systematisch uitgewerkt als in de Pesso-psychotherapie. De cliënt kan in contact komen met archaïsche woede en lichamelijke kracht die als onbegrensd, onhanteerbaar en beangstigend wordt beleefd. Door deze tot expressie te brengen in een begrenzend lichamelijk contact met een symbolische betekenis kan de cliënt - vaak voor het eerst - ervaren dat deze als eindeloos en gevaarlijk gepercipieerde agressie wel degelijk een grens kan vinden. Wanneer woede op een veilige manier doel treft, vindt deze vanzelfsprekend een bevredigende afronding (Pesso 1984). Een aanname van de Pesso-psychotherapie is dat energie tot actie wil komen en zoekt naar de passende interactie. Passende interacties zijn bevredigend en de betekenis ervan kan in het ego worden geïntegreerd. Wanneer razernij op een veilige manier tot expressie komt, zal het op een vanzelfsprekende manier tot een climax komen, wat tot opluchting en ontspanning leidt. De cliënt ontdekt en ervaart dat zijn of haar kracht niet destructief voor hemzelf of anderen hoeft te zijn. Het kan toegeëigend worden als legitiem, vitaal en doeltreffend. Begrenzing betreft niet alleen agressie en kracht. Even belangrijk is te ervaren dat wanhoop, angst, verdriet of jaloezie hun passende menselijke maat hebben. Ook onderdrukte gevoelens van genegenheid en liefde en seksuele wensen kunnen door het individu ervaren worden als onbegrensd en daarom gevaarlijk. Dat behoeften, zoals aan voeding, steun en bescherming, in principe vervuld kunnen worden is eveneens een ervaring met een begrenzende kwaliteit. Honger kan gestild worden en vraagt niet om eindeloos voedsel innemen; de chronische angst om te vallen - of te falen - kan tot rust komen door de ervaring van stevige, betrouwbare steun. Meemaken wat het is om zich werkelijk beschermd te weten, kan irrationele angst voor kwetsbaarheid en gevaar doen verminderen. Voornoemde inzichten over lichamelijke limitering zijn gemeengoed voor de Pesso-psychotherapeut. De lichamelijke aspecten hebben echter de laatste tijd binnen de Pesso-methode wat minder nadruk gekregen. Dit hangt samen met het grotere accent van de laatste jaren op de verfijning van de interventies in het begin van een structure en de bewerking van ego-processen, waarbij talige aspecten meer dan voorheen aandacht zijn gaan krijgen. De methode heeft daarmee aan nauwkeurigheid gewonnen, is 'meer psychotherapie' geworden met een groter accent op het integratievermogen van de cliënt. Het innerlijk proces met de bijbehorende angsten, ambivalenties en weerstanden wordt nauwkeuriger gevolgd. Het verloop van een structure heeft een duidelijker indeling gekregen: Possibility Sphere - Center of Truth - True Scene - Historical Scene - Antidote - Integration and New Perspective (Pesso 1990). Het leren volgen van deze stappen bij het begeleiden van een structure heeft de methode beter overdraagbaar gemaakt, hetgeen te merken is in de huidige Europese opleidingen (Perquin 1994, 2000). De aandacht voor mentale processen is didactisch en therapeutisch gezien een verbetering. Het lijkt erop dat de tijd nu rijp is het 'nieuwe' weer te gaan verbinden met het 'oude' van de Pesso-psychotherapie: de oriëntatie op het lichamelijke. Daarvoor is het thema limitering bij uitstek geschikt. Dit artikel biedt dan ook, naast een beschrijving van bestaande 'klassieke' kennis en technische interventies van de Pesso-methode, tevens herwaardering van de lichamelijke interventiemogelijkheden. Het begeleiden van een 'limiterings-structure' is in de praktijk niet gemakkelijk. Er moet aan nogal wat eisen voldaan worden. De therapeut moet (1) nauw kunnen samenwerken met de cliënt zonder de leiding los te laten (Mott 1992), (2) regie kunnen voeren over de groep, (3) over voldoende kennis van de anatomie van het menselijk lichaam beschikken, (4) erin getraind zijn waar te nemen hoe emoties zich lichamelijk manifesteren, zich bovenal op zijn gemak voelen met heftige uitingen van cliënten (5) en vertrouwd zijn met zijn of haar eigen kracht als mens en therapeut (6). Hieronder volgt een bespreking van principes en technische stappen die de therapeut tot steun kunnen zijn bij het leiden van 'limiterings-stuctures'. De volgende onderwerpen komen daarbij aan bod: 1. Waarom is lichamelijke limitering belangrijk? 2. Welke thema's komen bij limitering aan bod? 3. Hoe ziet lichamelijke limitering in een 'structure' eruit? 4. Specifieke vormen van limitering. 5. Mogelijke valkuilen.
1. Waarom is lichamelijke limitering belangrijk? Lichamelijke limitering kan de cliënt helpen in contact te komen met belangrijke aspecten van het ware zelf: agressie en kracht, openheid en kwetsbaarheid (de Bruine, 1994). Een ieder is geboren met deze mogelijkheden, zij maken deel uit van ons genetisch overgedragen erfgoed. Maar bij veel mensen die hulp zoeken is agressie vroeger niet welkom geheten en niet als lichamelijke realiteit aanvaard. Het is daarom niet als bruikbaar, nuttig en belangrijk ervaren en dus ook niet toegeëigend. Er bestaat een voortdurende angst voor de potentiële destructieve kant van agressie: haat, sadisme, moordzucht, zowel in het dagelijks leven als in de therapie. Bij een tekort aan begrenzende ervaringen, bijvoorbeeld door de afwezigheid van een ouder, of door overmatige inperking zoals door straf of verboden en fysieke bedreiging, hebben agressie en ontvankelijkheid niet voldoende ruimte gekregen en daardoor ook niet een reële dimensie (Pesso 1973). Zij werden onvoldoende aan de realiteit getoetst en kregen een gefantaseerde, omnipotente, voor de cliënt niet hanteerbare lading. In een limiterings-structure kunnen deze kanten van het ware zelf alsnog aan bod komen en een legitieme plaats, de juiste benoeming en hun ware dimensie krijgen en gerespecteerd en gevalideerd worden. Dit gebeurt binnen symbolische, fysieke grenzen. Het lichaam is voelbaar, tastbaar aanwezig, wil gevoed en aangeraakt worden maar kan deze concrete verlangens en behoeften ook op symbolische wijze vormgeven (Pesso 1994, Stern 1985, Perquin 1986). Een concrete lijfelijke ervaring kan door de volwassene in het hier en nu getransponeerd worden naar een symbolische ervaring in het daar en toen als kind (Van Haver 1995). Kinesthetische, sensorische, motorische, visuele en auditieve ervaringen, vormgegeven in een 'limiterings-structure', leiden tot bevrediging van onvervulde behoeften van het kind in de cliënt, op concreet-lichamelijk én symbolisch-mentaal niveau. Gezien het belang van de zintuiglijke informatie in Pesso-psychotherapie, noem ik hier terzijde een vaak niet genoemd aspect. Naast de informatie van het zien, het horen, de tast en de bewegingszin, heeft het ruiken een sterk evocatieve kracht. Door een geur kan op onverwacht krachtige wijze een herinnering of behoefte worden gewekt (Proust 1913). Op een heel basaal, primitief niveau vormen geuren een onontkoombare bron van informatie bij het beleven van een ander mens. Zoals een cliënt die met lichamelijke kracht een groepslid in de rol van begrenzende ouder heeft uitgetest, stralend en onbevangen zegt: '. wat ruik je lekker!' Samenvattend: het besef als mens een geest-lichaamseenheid te zijn, zal door de ervaring van fysieke limitering toenemen. Angst en schaamte voor de eigen agressie en kracht, maar ook voor kwetsbaarheid, zachtheid, schijnbaar onverzadigbare behoeften en onhanteerbare emoties nemen af. Gezonde agressie en openheid komen beschikbaar en kunnen zonder schuldgevoel als bron van vitaliteit worden ervaren. De cliënt krijgt meer zelfvertrouwen, durft opener en spontaner in het leven te staan en voelt zich 'meer in zijn of haar lijf zitten'. 2. Welke thema's komen bij limitering aan bod? 2.1 Angst voor agressie - woede - krachtAgressie, woede en kracht zijn vitale levensbronnen. Zij vormen de instinctieve basis voor het overleven van het individu en de soort, de primaire energie die nodig is om zichzelf en de soortgenoten te verdedigen. Een moeder weet instinctief hoe zij haar kind tegen gevaar moet beschermen. In dagelijkse en ook in extreme situaties, zoals in oorlogstijd weet zij dit instinct ten volle te mobiliseren en te gebruiken. Met rechte rug en ogen die vuur schieten weet zij respect af te dwingen bij een militair die haar huis is binnengedrongen. Wanneer zij zich zelf als kind onvoldoende heeft mogen uiten en weinig met agressie binnen veilige grenzen heeft geëxperimenteerd, is dit vermogen verborgen gebleven en als het ware 'ondergronds gegaan'. Zij heeft geen instrumentarium ontwikkeld om met woede om te gaan. Het is afgesplitst geraakt van haar belevingswereld. Ook al weet en voelt zij dat zij haar agressie nu in de strijd zou moeten gooien, tóch heeft zij er geen beschikking over. Zij staat er aarzelend bij, slaat haar ogen neer en wordt daarmee een anonieme prooi voor de vijand. Ook kan er in plaats van een gevoel van 'onthand zijn', sprake zijn van een voortdurende angst geen maat te kunnen houden wanneer zij aan deze gevoelens en impulsen toegeeft: 'Als ik me eenmaal laat gaan, ga ik uit mijn bol, ik kan me beter koest houden'. Ongebonden agressieve impulsen kunnen zich op een indirecte wijze tonen, zoals in koppig zwijgen of nog meer verhuld in de vorm van paniekaanvallen en depressieve periodes. De agressie is dan niet meer bewust voelbaar, symptomen staan op de voorgrond, zoals angst, verlegenheid en lichamelijke klachten. Het zijn vermommingen waaronder de verborgen kwaadheid nog steeds schuil gaat. Het gebrek aan ego-integratie van agressieve impulsen kan leiden tot zelfverachting, schuldgevoel en zelfbeschadigend gedrag; explosieve, passief-agressieve en antisociale vormen van acting out zijn andere verschijningsvormen. Waar het om gaat is dat gezonde agressie niet goed 'gebonden' is geraakt, niet is opgenomen in de functionele structuur van het ego. Het is niet beschikbaar om de betrokkene het gevoel van recht op een eigen plaats te geven en zich daarnaar te gedragen. Anders gezegd, de 'Skin' verleent de 'Soul' niet de nodige stevige omhulling (Anzieu 1989).
2.2 Agressieve fantasieën, dwanggedachten, schuldgevoelen Halfbewuste en onbewuste impulsen kunnen in de vorm van sadistische dromen en wrede fantasieën hun weg naar het bewuste vinden. Naar aanleiding van een onbelangrijk incident beseft iemand opeens: 'Ik haat die vent uit de grond van mijn hart'. Gefrustreerde woede is tot haat geworden. Plotseling kunnen restanten van ongecorrigeerde, omnipotente fantasieën uit de kindertijd boven komen: na een ruzie werd moeder doodgewenst en kreeg een auto-ongeluk. 'Wat je denkt, kan zo maar gebeuren'. 'Blikken kunnen doden'. Sadistische fantasieën, die als zodanig onschadelijk zijn, worden als levensgevaarlijk beleefd, moeten onuitgesproken en 'ongedacht' blijven. Wanneer beelden of gedachten zich desondanks in het bewustzijn opdringen, schaamt de cliënt zich, voelt zich slecht en schuldig. 'Zo mag je niet denken'. 'Ik ben een slecht mens'. Denken en doen, gedachten en gedragingen zijn verstrengeld geraakt. De cliënt kan deze niet duidelijk onderscheiden, neigt tot magische interpretaties van zijn eigen gevoelsleven. Dat als reactie op frustratie gevoelens van wreedheid en haat gerechtvaardigd zijn, klinkt als een bericht van een andere planeet. Zij mogen niet bestaan, mogen geen deel uitmaken van de persoon. Gewone gevoelens van agressiviteit blijven 'Ich-fremd', worden niet opgenomen in het ego. Agressieve, ego-dystone dwanggedachten zijn daarvan een voorbeeld: 'Ik schrik van mijn gemene, agressieve gedachten, die kunnen niet van mij zijn, die moeten bezworen worden'. Een ander voorbeeld is de paranoïde projectie: bang zijn voor de in de ander geprojecteerde woede, die je in jezelf niet kunt herkennen. Complexer is het fenomeen van projectieve identificatie: de eigen agressie wordt aan een ander uitbesteed om zich onbewust met dat deel van die ander te identificeren en te genieten van hoeveel macht de ander heeft (van Duijvenboden 2000). Tevens manipuleert, provoceert en bestrijdt de persoon de agressie van die ander en heeft daarmee zonder het te beseffen veel invloed. De therapeut bemerkt bijvoorbeeld gegeneerd dat het zijn cliënt is 'gelukt hem boos te krijgen' en voelt zich genoodzaakt daarvoor - iets te uitvoerig - excuus aan te bieden. De cliënt beleeft aan deze keten van interacties een gevoel van controle, terwijl de niet toegeëigende agressie in de zich boos makende therapeut toch een plaats heeft gekregen (Pohorely 1992).
2.3 Zelfhaat en zelf-destructiviteit Een andere 'strategie van het ego' is om bij frustratie van woede of bij gebrek aan veilige begrenzing, de woede bewust of onbewust op het zelf te richten. Zelfdestructieve neigingen, zoals te hard motor rijden, 's nachts alleen in een gevaarlijke buurt de straat op gaan, overmatig alcohol- en drugsmisbruik, zelfverwaarlozing, automutilatie en suïcidaal gedrag zijn daarvan voorbeelden. Vaak gaat het om cliënten die op jonge leeftijd zijn mishandeld en verwaarloosd. Zelfhaat en zelfdestructie verwijzen dan naar onderliggende, agressieve impulsen die voor de misbruiker zijn bedoeld, maar niet onder controle van het ego staan. De heftige woede op de ander wordt op zichzelf gericht omdat dat veiliger is; het was destijds te gevaarlijk om de woede op de agressor te richten. De macht of controle wordt op deze manier 'aan zichzelf' gehouden. 'Ik bezeer mijzelf: die macht heb ik tenminste'. Zichzelf bezeren is een strategie geworden om de innerlijke spanning van de verboden agressie te ontladen. Intussen herhaalt de cliënt onbewust de oorspronkelijke situatie door als het ware dader en slachtoffer tegelijk te zijn. Als dader wordt de oorspronkelijke situatie van mishandeling geënsceneerd, in de 'rol' van slachtoffer ondergaat het lichaam de vertrouwde pijn, nu echter onder regie van het eigen ik. Zo heeft de cliënt controle over de situatie en kan vasthouden aan bijvoorbeeld de fantasie het misbruik zelf in de hand te hebben en ook destijds zelf in de hand te hebben gehad. 'Het is mijn schuld' kan een verborgen grootheidsfantasie zijn, die als functie heeft de gevoelens van onmacht, het gemis aan bescherming, de vernedering en miskenning niet te hoeven voelen (Perquin en Pesso 2000). 2.4. Grootheidsfantasieën, narcistisch isolement Grootheidsfantasieën kennen vele verschillende gedaanten. 'Ik heb niemand nodig. Ik red me wel alleen. Ik sta ver boven de anderen. Geen therapie zal mij ooit kunnen helpen'. Vaak is er sprake van fantasieën over grote successen, onmetelijke macht en de ideale liefde. Dat dit alles binnen dit leven niet op korte termijn in het verschiet ligt, brengt de cliënt niet op andere gedachten. Er is een neiging om zichzelf centraal te stellen en voortdurend de aandacht op te eisen. Kritiek en correctie zijn onverdraaglijk. Het zijn de omstandigheden of medemensen die niet voldoen, nooit de persoon zelf. De betrokkene krijgt zelden commentaar, - dat wordt hem meestal zorgvuldig bespaard - waarmee het narcistisch isolement - de 'splendid isolation' - versterkt wordt. De ander gaat intuïtief de razernij, de narcistische woede uit de weg die zou bovenkomen bij een openhartige confrontatie. De cliënt heeft als kind te weinig erkenning gekregen voor zijn eigen mogelijkheden. Het kind is niet voldoende bevestigd in zijn behoeften aan onvoorwaardelijke acceptatie, waardering en bewondering. Het is aan zijn lot overgelaten of heeft aan de narcistische wensen van de ouders moeten voldoen. 'Ik moest iemand zijn die ik niet was'. Het heeft zich miskend teruggetrokken in een eigen belevingswereld, een eenzaam isolement, waarin dromen en grootheidsfantasieën over een perfect zelf en een volmaakte wereld als compensatie dienden, onvoldoende ondersteund of gecorrigeerd door reële ervaringen. Er is onvoldoende ruimte voor competitie geweest. Het van de ander winnen of verliezen is niet in de praktijk getoetst, maar in de fantasie blijven hangen. 2.5 Over-verantwoordelijkheid, parentificatie Er zijn mensen die niets anders doen dan voor anderen zorgen en redderen. Als zij daarmee noodgedwongen moeten stoppen, bijvoorbeeld vanwege ziekte, lijkt het alsof zij hun bestaansrecht kwijtraken. Bij vrouwen in onze samenleving is dit relatief vaak het gevolg van het (destijds) gangbare socialisatieproces. Vaak lijkt dit algemeen maatschappelijk patroon te zijn versterkt door de individuele geschiedenis. Een cliënte heeft op negenjarige leeftijd samen met moeder een aantal maanden voor haar stervende vader gezorgd en later moeder getroost in haar verdriet over zijn dood. Een volwassen taak, waarin zij de overleden partner van moeder probeerde te vervangen. Daarmee is zij als het ware in een 'magisch huwelijk' met moeder terechtgekomen, waarin zij invloed en macht kreeg die niet in verhouding stonden tot haar leeftijd. Dit heeft haar zelfgevoel 'opgeblazen', doen inflateren en haar een gevoel van almacht gegeven. Daarvoor betaalde zij echter een dure prijs: zij heeft zich niet meer vrij gevoeld zelf te rouwen om het verlies van vader om daarna weer te kunnen spelen en genieten. Nog steeds kan zij als volwassene heel moeilijk plezier beleven. Haar gevoel van eigenwaarde kan alleen bevestigd worden door voor anderen iets te betekenen: pas dan voelt zij zich gewaardeerd en erkend. Zij heeft veel moeite zichzelf af te grenzen tegenover de eisen van de buitenwereld. Wanneer zij dan eindelijk tijd heeft gemaakt om aan haar eigen behoeften toe te komen, voelt zij zich somber en onvervuld. De band met moeder is zo sterk dat een relatie met een partner haar onmogelijk lijkt. Dat zou verraad aan moeder betekenen. Heimelijk verzet zij zich bovendien tegen het idee de bijzonder positie die zij in haar moeders ogen heeft op te geven en de nog machtiger positie die zij in haar eigen ogen heeft (Sarolea 1986). Te vroeg in haar leven heeft zij taken gekregen die de mogelijkheden en verantwoordelijkheden van haar leeftijd ver overstegen. Dit heeft gelijktijdig haar gevoelens van superieure autonomie én haar gevoelens van afhankelijkheid versterkt: steeds moet zij bevestigd worden in wat ze presteert. De gevoelens van genegenheid die zij als klein meisje voor haar moeder had, heeft zij nooit als zodanig geuit, maar altijd op vermomde wijze vorm gegeven door klaar te staan voor moeders behoeften. Nog steeds heeft zij als volwassene de neiging dit patroon voort te zetten, tot overbelasting of 'burnout' daar een grens aan stelt. 2.6 Onbegrensde ervaringen na seksueel misbruik Dit thema komt uitgebreid aan bod in het artikel over de behandeling van de gevolgen van seksueel misbruik in dit tijdschrift (Perquin en Pesso 2000). Wanneer de cliënt als kind seksueel is misbruikt, is deze er soms van overtuigd een niet te begrenzen, verleidende kracht te bezitten, waaraan de dader destijds geen weerstand zou kunnen bieden. De cliënt heeft ongewild een sterk fysieke, bijna reflexmatige reactie van openheid ontwikkeld. Daders lijken daarvoor een 'antenne' te hebben: seksueel misbruik van het kind herhaalt zich vaak op volwassen leeftijd. Zich destijds hebben moeten onderwerpen aan iemand met meer macht, ongewild fysiek open moeten zijn, was een ervaring die buiten de controle van het ego om ging. Dit geldt ook voor gevoelens van haat, afkeer en wraak die vanwege angst voor de dader nooit zijn geuit.
2.7 Acting out Sadisme en wreedheid kunnen onbewust op de ander worden geprojecteerd en bij de ander worden geprovoceerd, de archaïsche oplossing van het kind om zich de eigen impulsen niet toe te eigenen. De cliënt herkent dit mechanisme van projectieve identificatie niet. Zo begrijpt een cliënt niet dat zijn veeleisende, testende gedrag op het werk steeds weer tot afwijzing leidt. Hij beseft niet dat hij onbewust op zoek is naar ouderfiguren die hem aanvaarden, valideren en veilige grenzen stellen. De mensen in zijn actuele leven voelen er echter intuïtief niets voor deze begrenzende rol op zich te nemen en komen onwillekeurig in een afwijzende positie terecht. De cliënt voelt zich als volwassene steeds weer afgewezen. 'Acting out' is de meer zichtbare variant van dit krachtenspel. De persoon heeft maar één manier om met agressie om te gaan: door concrete, lichamelijke expressie en grensoverschrijdende daden in het dagelijks leven. De definitieve grens kan uiteindelijke de 'limitsetting' van de gevangenis zijn. Deze mensen melden wel eens dat het verblijf in de cel een gevoel van veiligheid gaf, waarin de angst afnam en zij soms zelfs voor het eerst hebben ervaren, wat het is een eigen plek te hebben. 3. Hoe ziet lichamelijke limitering in een 'stucture' eruit? 3.1 Accepterend en validerend De in rollen gekozen begrenzende ouderfiguren laten de hoofdpersoon verbaal en non-verbaal weten dat zij het testende, woedende kind volledig accepteren. Zij aanvaarden zijn of haar primitieve woede voor wat deze is: een algemene, instinctieve, aangeboren kracht. Zij moedigen aan, zijn gepast onder de indruk van zijn of haar kracht en verwelkomen deze met respect. In de structure bieden zij de juiste hoeveelheid lichamelijke tegenkracht. Zij doen er moeite voor, worden er ook moe van, maar houden vol. De limiterende rolfiguren ontmoedigen de hoofdpersoon niet. Zij zorgen ervoor dat deze niet wordt omgeduwd en zich niet overweldigd voelt, zij laten niet te vroeg weten dat zij sterker zijn. Dat hoeven zij pas te laten merken als de hoofdpersoon hen met alle kracht fysiek uittest. Technisch gezien betekent dit dat 'uitbreidingsfiguren' van de begrenzende ouders niet te vroeg in de rol moeten komen. Het kan een ontmoedigende uitwerking op de hoofdpersoon hebben om een hele ploeg groepsleden klaar te zien staan om de kracht op te vangen, nog vóór dat daarvan iets naar buiten is gekomen. Elke aanraking die de begrenzende figuren in hun rol bieden, moet precies kloppen, aansluiten bij de 'shape', de lichaamsvorm of lichaamscontour. 'Countershaping' betekent aansluitend bij de vorm, maar ook bij de richting, het ritme en de snelheid van het lichaam. Of iemand in Pesso-psychotherapie acceptatie en validering van zijn of haar impulsen ervaart, hangt strek af van de nauwkeurigheid en precisie van de interacties die de rolfiguren bieden. De accommodators hebben vooral als taak de hoofdfiguur te steunen in diens eigen proces van validering. Het is niet de verantwoordelijkheid van de accommodator te weten wat de hoofdpersoon nodig heeft. De limiterende figuren volgen wat de cliënt in overleg met de therapeut aangeeft (Beloof 1986). Dit neemt niet weg dat een nieuwe groep, alvorens met limitering te werken, goed getraind moet zijn. Men moet als een team onder regie van de cliënt en de therapeut op elkaar kunnen inspelen. Wanneer het begrenzen van een onbekende potentie waar de cliënt nog niet eerder mee in contact is gekomen centraal staat, zal een flexibele, validerende limitering het passende antwoord zijn. De begrenzende figuren laten de cliënt ervaren dat het er mag zijn: 'Je hoeft niet bang te zijn voor je woede, die is niet gevaarlijk en bij ons welkom. We waarderen je kracht: Bij het begrenzen van agressie die zich destijds als manifest gedrag heeft getoond - 'Ik heb die rotvader toen een klap in zijn gezicht gegeven en me daar later heel schuldig over gevoeld' - zal het accent meer liggen op het definitief zijn van de begrenzing. De cliënt kan ervaren dat hoe woedend hij of zij ook is, dit er nu niet toe zal leiden dat iemand letterlijk wordt bezeerd (zie: 3.5 Definitief). 3.2 Stap voor stap: in eigen beheer Limitering betekent ook rekening houden met tijdsgrenzen. Voor elke therapeutische ervaring geldt een tijdslimiet, slechts een beperkt aantal aspecten kunnen in één sessie volledig aan bod komen. Dit dwingt tot selectie en een focus. Eén duidelijke, overzichtelijke stap, die binnen de vastgestelde tijd kan worden geïntegreerd, heeft de voorkeur boven een wilde ervaring waarin de cliënt overspoeld wordt door heftige emoties. De cliënt moet niet overdonderd worden door het onverwacht nieuwe van de gebeurtenis. Wanneer de cliënt het spoor bijster raakt, kost een goede afronding van de structure extra tijd, hetgeen weer schuld- en almachtsgevoelens zou kunnen oproepen: 'Nu hebben zij zich voor mij extra lang moeten inspannen'. Centraal in de Pesso-psychotherapie staat dat de cliënt in samenspraak met de therapeut de regie neemt - en houdt - en de gelegenheid krijgt voor elke stap een bewuste keuze te maken. De therapeut overlegt met de cliënt en maakt duidelijk afspraken, een 'minicontract': Kun je aangeven hoe je de ouderfiguren zou willen gaan testen, vóórdat je begint'. Of: 'Laat me vooraf weten wat je zou willen uitproberen, dan kunnen we het op een veilig manier vorm geven en de begrenzende figuren duidelijk instrueren'. En: 'Als ik stop zeg, wacht dan even, dan hebben we even de tijd nodig om afspraken met de accommodators te maken'. Tegen de andere groepsleden: 'Als je als accommodator merkt dat je het niet kunt volhouden, of bekneld of bezeerd zou kunnen raken, laat het me meteen weten. We wachten dan even en zullen hoe we hem lichamelijk vasthouden eerst anders organiseren'. Het maken van deze afspraken belemmert het spontane verloop van de structure enigszins. Maar veel belangrijker is dat de cliënt de tijd neemt een eigen scenario - niet dat van de therapeut - vorm te geven, dat zijn eigen 'Pilot Ego' controle heeft, dat de alertheid van de groepsleden optimaal is en dat de therapeut laat merken overzicht te hebben. Het 'op de rem staan' tijdens het in scène zetten van een 'limiterings-structure', heeft zelden tot gevolg dat de cliënt het contact met zijn emoties verliest of zijn motivatie kwijt raakt. De therapeut moet niet proberen in deze fase 'tempo te maken'. Het is belangrijk de rust en de tijd te nemen zodat de cliënt zitblokken, kussens en matrassen kan plaatsen en de begrenzende figuren stevig kan plaatsen. Verder kan de therapeut de groepsleden die niet in een rol zitten laten weten 'stand by' te zijn om als 'uitbreiding' van de begrenzende figuren op te kunnen treden. Wanneer het thema voldoende bij de cliënt leeft en de motivatie van binnenuit komt, zal het proces vanzelf weer op gang komen, ondanks de vertraging die de technische enscenering met zich heeft meegebracht. Na enig lijfelijk experimenteren zal de cliënt meestal weer snel in contact komen met de oorspronkelijke behoefte. Wanneer dit niet gebeurt is het belangrijk eerst te exploreren waarom het bij de cliënt stopt, in plaats van deze aan te moedigen 'het maar weer eens te proberen'. Een zuiver fysieke, niet-doorleefde expressie kan daarvan het gevolg zijn, een 'pseudo-limit-stucture'.Kortom het 'stap voor stap' werken voorkomt dat cliënt wordt overgehaald tot onbekende, overspoelende ervaringen die niet zijn te integreren en die tot angst, schaamte of dissociatie kunnen leiden. Tevens voorkomt deze manier van werken dat de therapeut en de groep ongewild en onvoorbereid verzeild raken in niet te hanteren, fysieke 'acting out'.
3.3 Van partieel naar totaal De eerste ervaringen met limitering in Pesso-psychotherapie worden bij voorkeur 'partieel' aangeboden, dat wil zeggen beperkt tot één lichaamsdeel. Een manier om daarna te vragen is: 'Met welk deel van je lichaam zou je willen uittesten dat de ideale ouders stevig zijn?' Of: 'Waar in je lichaam voel je de meeste energie? Zullen we daarmee beginnen?' Wanneer de cliënt onmiddellijk opstaat en er met zijn volle gewicht met schouders en armen 'tegenaan' wil gaan, bestaat de kans dat een wilde worsteling ontstaat die niet te reguleren is. Bij onvoldoende voorbereiding en onduidelijke instructies aan de begrenzende rolfiguren, kunnen deze zich niet op tijd schrap zetten. Zij verliezen hun evenwicht, waarop de hele groep in beweging komt en de rolspelers tot omvallen toe over elkaars benen struikelen. Voor de cliënt kan dit betekenen: 'Zij zijn dus toch niet stevig en niet betrouwbaar.' En: 'Het is mijn schuld dat het mis gaat'. Het kan ook gebeuren dat de begrenzende figuren adequaat en snel reageren, echter zonder tijd voor overleg of instructies. Zij pakken de cliënt enigszins in paniek, stevig bij armen en schouders vast. Even vecht de cliënt met alle kracht door, maar stopt dan plotseling en vraagt: 'Waar ben ik nou helemaal mee bezig? Dit is zo'n overmacht, daar ben ik tóch niet tegen bestand!' De therapeut kan nu proberen er nog iets van te maken: 'Het kind in jou heeft kennelijk sterk de behoefte om zijn kracht onverwacht en ten volle uit te testen'. Zo'n opmerking, met enig gevoel voor humor gebracht, is een aardige reddingspoging en misschien wel het beste wat de therapeut op zo'n moment kan doen, maar komt eigenlijk te laat. Het is een cognitie achteraf, een poging om de 'pilot' - het observerende, beslissende en uitvoerende ik - dat de cliënt even niet tot zijn beschikking had, alsnog achteraf aan te spreken. Beter is om te anticiperen en met een enkele stap te beginnen die te overzien is. In dit voorbeeld: 'Hoe zou het zijn om eerst met één hand een ouderfiguur uit te testen'. De cliënt duwt tegen de schouder van één van de begrenzende rolspelers. Als dat goed bevalt, komt al zoekend vanzelf de volgende stap, bijvoorbeeld met méér kracht duwen, of met twee handen. De rolfiguren kunnen nu door andere groepsleden in de rol van uitbreiding in de rug gesteund worden. Het zou kunnen dat de cliënt wanneer deze verschillende mogelijkheden uitprobeert, op iets anders terechtkomt. Met één hand kracht uitoefenen tegen de schouder kan veranderen in duwen met twee vuisten tegen twee handen van de rolfiguur, die door vier uitbreidingsfiguren bij de schouders en de polsen wordt gesteund. Op deze manier kan de limiterings-structure zich stap voor stap ontwikkelen van partiële lichamelijke expressie naar een ervaren, waarbij het hele lichaam betrokken is. Een complete 'limit' kan ontstaan uit de eerste aarzelende actie van één vinger die de zachtheid stevigheid van de handpalm van de rolfiguur verkent. Wanneer de cliënt in contact komt met zijn volledige kracht, zal deze vaak koste wat kost de grenzen willen doorbreken en in eerste instantie niet willen accepteren dat hij wordt tegengehouden of minder kracht heeft dan de begrenzende figuren. Er kan zich een dodelijk serieus gevecht ontwikkelen, waarbij de samenwerking tussen de begrenzende figuren - soms moeten alle groepsleden worden gemobiliseerd - en een strakke regie van de therapeut van groot belang zijn. Pas na enige minuten kan de cliënt de begrenzing gaan accepteren en plezierig gaan vinden. 3.4 Flexibel Begrenzing moet flexibel zijn, niet star. Goede ouders hebben een natuurlijk, vanzelfsprekend overwicht over het kind. Zij zijn van vlees en bloed, niet van hout of beton. Zij zijn van nature sterker en hoeven dat niet te bewijzen. Een groepslid in de rol van begrenzende figuur die met inzet van alle kracht wil laten zien dat de hoofdpersoon 'er geen millimeter beweging in kan krijgen', lijkt meer bezig met een machtsstrijd. De therapeut moet duidelijk aan de rolfiguren laten weten dat de geboden tegenkracht nauwkeurig moet aansluiten bij de spierkracht die de cliënt inzet: niet te veel en niet te weinig. Door een flexibel tegenspel te krijgen kan de cliënt ervaren dat zijn kracht effect heeft. Daarin zit hem de validerende en speelse kant van het gelimiteerd worden. Anders gezegd: in de stucture te vroeg en te veel begrenzing krijgen kan ontmoedigend werken en machteloos maken. Bovendien zal dat vaak een negatieve herhaling inhouden van het vroeger ingeperkt zijn. Binnen de aangeboden begrenzing enige speelruimte krijgen wordt ervaren als toestemming en bemoediging. De cliënt mag zijn woede en kracht meten en delen in interactie met anderen. Het heeft resultaat, effect op de anderen, de begrenzende figuren laten merken dat de kracht aankomt, er is ruimte voor en zij waarderen het resultaat. Vaak verschuift het dodelijk serieus uittesten als vanzelf naar een speels uitdagen van één of beide ideale ouders in een goedmoedige, vrolijke worsteling. Afwisselend duwen, trekken, pootje haken en dergelijke komen nu aan bod. De hoofdpersoon krijgt de smaak te pakken, geniet ervan en voelt zich als een kind dat dit nooit eerder zó heeft mogen doen. De begrenzende figuren of ouders laten weten dat het van haar kracht en trucs mag genieten. Zij hebben plezier in haar vindingrijkheid en niet aflatende energie. 3.5 Definitief Dat het tegenspel flexibel moet zijn, neemt niet weg dat gaandeweg duidelijk moet worden waar de 'eindhalte' zit, de definitieve grens. Ik zal dit principe aan de hand van een specifieke limiterings-oefening toelichten. De oefening wordt 'arm-worstelen-met-een-begrenzende-figuur' genoemd. In eerste instantie is de oefening identiek aan het bekende vuistworstelen of 'handje drukken', waarbij de spelers met de buik op de grond liggen, de gezichten naar elkaar toe, de ellebogen op de vloer. In de gewone spelvorm zou de hoofdfiguur in principe kunnen winnen, maar dat is een ervaring van een andere orde dan begrensd worden. Als de hoofdpersoon wint, is het spel immers voorbij. Hij kan dan niet langer de begrenzende figuur uittesten en niet aan de volle omvang van zijn kracht toekomen. Daarom behelst de instructie voor de oefening 'arm-worstelen-met-een-begrenzende-figuur' dat de accommodator zonodig zijn andere hand mag gebruiken ter ondersteuning van de eigen begrenzende arm, bijvoorbeeld ter hoogte van de pols, terwijl de hoofdpersoon slechts één hand gebruikt. In eerste instantie beleeft de hoofdpersoon er genoegen aan dat het lukt om die éne hand van de begrenzende figuur langzaam in beweging te krijgen. Hij heeft effect op de ander, hij zou kunnen winnen. Vandaar een tweede aanwijzing bij de oefening. De hoofdfiguur moet vóórdat de handen de grond raken aangeven waar de 'limiet' is, de plaats waar hij als enactor niet voorbij kan komen, hoeveel kracht hij ook inzet. Deze positie symboliseert dat de begrenzende figuur voldoende tegenkracht kan bieden en niet zal verliezen. Vaak wordt pas op het moment dat dát punt bijna bereikt is, alle kracht in de strijd gegooid. Eerst gefrustreerd: 'Ja maar. zó kan ik niet winnen'. Daarna, als de begrenzende figuur in diens rol verbaal pareert: 'Je kunt bij mij al je kracht uittesten, ik blijf overeind', reageert de hoofdfiguur meestal opgelucht. Zijn kracht mag er zijn, deze wordt gevalideerd, maar uiteindelijk ook omvat, 'contained' en gelimiteerd. Er is een eenvoudige technische oplossing om de hoofdpersoon in een 'limiterings-structure' met ideale ouders te laten ervaren dat het om een definitieve begrenzing gaat: de begrenzende figuren krijgen steun in de rug van een muur. Zij kunnen dan onmogelijk worden weggeduwd. Dat er een onderscheid is tussen een lichamelijke ervaring met een symbolische betekenis en de concrete vormgeving is bij deze vormgeving extra duidelijk. 3.6 Energie - Actie - Interactie - Bevrediging, Validering en Integratie De voor de Pesso-psychotherapeut vertrouwde indeling Energie à Actie à Interactie à Bevrediging, Validering en Integratie kan gebruikt worden om het verloop van een 'limiterings-structure' te volgen en evalueren. Het is hier geformuleerd in de vorm van een aantal 'check-vragen': · Waar is de meeste energie? Wat is de actuele, lijfelijke ervaring? · Welke actie komt eruit voort? In welke richting gaat de beweging? · Welke interactie past daarbij? Hoeveel tegenkracht is nodig? · Hoeveel tegenkracht is nodig als de expressie toeneemt? Zijn er voldoende rolfiguren om als uitbreiding op te treden? · Gebruikt de cliënt zijn spierkracht zodanig dat daaruit een bevredigende expressie kan voortkomen? Houdt de cliënt zichzelf tegen? Is het gebruik van stemgeluid nodig? · Wordt de behoefte aan begrenzing bevredigd, zonder schuldgevoel of schaamte en zonder dat de cliënt het contact ermee verliest (van Dijk 2000). · Is de verbale en non-verbale reactie van de accommodators validerend? Sluit hun stemgeluid aan bij dat van de cliënt? Laten zij merken dat zij genieten van zijn of haar kracht? Is er ruimte voor humor, speelsheid en plezier? · Is aan de cliënt te zien dat deze de ervaring in zich opneemt, integreert op het leeftijdsniveau van het kind dat deze ervaring te weinig heeft meegemaakt? Neemt de cliënt af en toe bedenktijd? Geeft de cliënt zelf aanwijzingen, neemt deze voldoende regie? Kijkt de cliënt naar de begrenzende ouderfiguren, om ook een visuele herinnering in zich op te nemen? Is de nieuwe ervaring een duidelijk tegenwicht (Antidote) tegenover de oude geschiedenis? 4. Specifieke vormen van limitering 4.1 Niet-fysieke limitering in de relatie cliënt-therapeut Lichamelijke limitering heeft vooral dán therapeutische waarde wanneer de cliënt de deskundigheid van de therapeut en ook diens authenticiteit en bereikbaarheid als mens kan uittesten. Binnen de symbolische ruimte van de 'Possibility sphere' in de structure en de groepssamenwerking zal het vertrouwen pas echt kunnen groeien wanneer de cliënt in de directe relatie met de therapeut impliciete en expliciete verbale limitering kan ervaren en toelaten. Een nieuw groepslid test vaak eerst de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de therapeut door nauwkeurig op diens non-verbale en verbale uitingen te letten. Bijvoorbeeld door aan de therapeut uitspraken te ontlokken die een idee geven van diens normen, waarden en opvattingen over het leven. In dergelijke 'pre-therapeutische discussies' kan de samenwerking groeien. De cliënt krijgt immers de gelegenheid de stevigheid en receptiviteit van de therapeut op het niveau van de overdrachtsrelatie en het reële contact uit te testen, voordat hij zich aan de spannende ervaring van een 'limiteringsstructure' hoeft te wagen. Een ander relationeel aspect van begrenzing bestaat uit de serie afspraken en het contract binnen een Pesso-therapiegroep (Van Haver 2000). De tijd begrenst de duur van de structure. De cliënt kan grenzen testen door een therapiebijeenkomst weg te blijven en zich afvragen of de therapeut hem zal opbellen. Een ander probeert - in concurrentie met de groepsleden - in de pauze meer aandacht te krijgen of te 'solliciteren' naar een extra structure. Dit alles gaat meestal vooraf aan de lichamelijke limitering met rolfiguren. Wanneer aan deze niet-fysieke aspecten te weinig aandacht wordt besteed, zal een limiterings-structure niet veel meer zijn dan een louter lichamelijke krachtmeting, een fysieke strijd die de symbolische betekenis mist welke cruciaal is om therapeutisch effect te sorteren (Jongsma 1986). Wanneer de begrenzende rolfiguren als uitbreiding van de functie van de therapeut worden beleefd en deze in het verlengde daarvan worden vertrouwd, kan de interactie met de rolfiguren als waarachtig en geloofwaardig geïntegreerd worden: als symbool van veiligheid, nabijheid en aanvaarding.
4.2 Begrenzing bij parentificatie-problematiek Het is niet gemakkelijk om de positie van geparentificeerd kind op te geven. De cliënt ontleent daaraan intieme nabijheid, zelfwaardering en macht. De begrenzing van de neiging om voor de ouder te zorgen en zich helemaal in diens behoeften te verplaatsen en daarmee te vereenzelvigen, kan in een 'limiterings-structure' aan bod komen. We sluiten aan bij het voorbeeld dat bij 'Over-verantwoordelijkheid en Parentificatie (2.5) werd gegeven. Ideale, begrenzende ouders in een rol zeggen tegen het meisje: 'Voor moeder zorgen, dat is niet jouw taak'. Ideale grootouders, die voor de behoeftige, reële moeder kunnen zorgen nemen deze taak over, door letterlijk de reële moeder te omarmen en weg te halen van de cliënte. Zij troosten en beschermen de behoeftige moeder, terwijl de cliënte op veilige afstand toekijkt. Wanneer de cliënte opnieuw de impuls voelt zélf voor de rouwende moeder te zorgen, kunnen begrenzende ouderfiguren haar van deze archaïsche plicht afhouden. De therapeut kan haar uitnodigen ten volle aan die neiging toe te geven door bijvoorbeeld te proberen rechtop staand met al haar kracht in de richting van de behoeftige moeder te komen. De ideale ouders houden haar tegen en zorgen ervoor dat zij niet te dicht in de buurt van de reële moeder komt. De structure kan ook een andere richting opgaan. De cliënte wordt uitgenodigd zich over de behoeftige moeder te ontfermen en zich geheel over te geven aan haar impuls om voor deze kant van moeder te zorgen. De ideale ouders houden haar armen vast en geven lichte tegendruk wanneer zij de moederfiguur wil omhelzen. Na enig overleg met de therapeut laat zij hen zeggen: 'Je kunt je genegenheid voor moeder ten volle uiten, maar het is niet jouw taak voor haar te zorgen'. Op dat ogenblik wil zij moeder met nog meer kracht omhelzen, waarop zij plotseling in contact komt met een onverwachte woede en afkeer voor de 'zielige, appellerende' moeder. 'Stik toch in je verdriet'. Nu kan zij aan de motorische impuls om de negatieve kant van moeder in een wurgende greep te nemen toegeven, terwijl de ideale ouders haar stevig bij de armen tegenhouden. De ouders helpen haar uiting te geven aan haar gemengde gevoelens van affectie en afkeer. Zij kan de lang verborgen gebleven woede een plaats geven, de begrenzende ouders zorgen ervoor dat zij deze negatieve kant van moeder niet bij de keel kan aanraken en niet letterlijk kan wurgen. Een volgende stap is om een ideale moeder uit te testen die voor zichzelf kan zorgen en vervolgens twee ouders die aan elkaar gewaagd zijn, onderling verbonden zijn en bij elkaar blijven. Zij kan met een vader ervaring opdoen die gezond en vitaal is en in haar leven zou blijven, zolang zij hem nodig heeft. Zij kan lichamelijk ervaren dat zij deze ouders niet uit elkaar kan trekken. Een gevoel van grote opluchting komt over haar, wanneer zij de behoeften van de ouders naast zich neer mag leggen. Passend bij haar leeftijdsgevoel kan zij ervaren wat het is als een klein meisje te mogen spelen. Maar zij zal ook gevoelens van verlies en verdriet ervaren, wanneer zij beseft dat zij haar speciale positie kwijt raakt en dus in haar optiek nutteloos wordt. Het is belangrijk aandacht te besteden aan deze tegenstrijdige gevoelens van winst en verlies. 4.3 Limitering bij Seksueel misbruikBegrenzende figuren kunnen de cliënt helpen de eigen openheid binnen veilige grenzen te ervaren. De cliënt bepaalt nu zelf het moment, wordt niet zoals vroeger gedwongen door de ander. Voor de beschrijving van de interventies wordt verwezen naar het artikel over de behandeling van seksueel misbruik in Pesso-psychotherapie in dit tijdschrift.
5. Mogelijke valkuilen 5.1 De cliënt gaat het gevecht niet aan Het ziet er uit als een limiterings-stucture, maar de cliënt gebruikt niet zijn of haar volle kracht, maar houdt als het ware zelf de rem erop. De cliënt vermijdt de strijd en daarmee ook de ervaring van echt begrensd te kunnen worden. Er is wel een duidelijk contract, de cliënt begrijpt de bedoeling en ziet het nut er wel van in, maar durft geen contact te maken met het lijfelijk instinctieve, primitieve, furieuze en ongetemde (Moser 1991, Van Haver 1995). 5.2 De limitering is niet stevig genoeg De cliënt concludeert al bij het eerste lichamelijk uittesten dat de rolfiguren niet stevig genoeg zijn om hem of haar tegen te houden. De therapeut wordt niet geïnformeerd en heeft het niet opgemerkt. De cliënt besluit vervolgens zich 'in te houden', limiteert dus zichzelf en spaart de anderen. Een herhaling van het verleden in plaats van een geloofwaardige nieuwe ervaring is het gevolg. 5.3 De accommodators bezeren zichWanneer de accommodators zich bezeren valt de cliënt snel terug in de rol van degene die voor anderen moet zorgen. Bevestiging van het schuldgevoel is een andere nadelige consequentie. Waar de cliënt zo bang voor is, dat zijn of haar kracht tot destructie zal leiden, wordt wederom bevestigd. Ook de accommodators krijgen de boodschap mee dat begrenzing niet op een veilige manier kan gebeuren. Daardoor kan een algehele sfeer van geremdheid in de groep ontstaan. Bij reële fysieke beschadiging zou de therapeut zelfs terecht onzorgvuldigheid kunnen worden verweten. 5.4 De groepsleden kunnen de cliënt niet houden Wanneer de cliënt merkt dat de groepsleden zijn fysieke kracht feitelijk niet aankunnen en hij als het ware door de tegenkracht heen breekt, bevestigt dat hem in de gevoelens van omnipotentie. Dit gaat meestal gepaard met gevoelens van triomf, die later, soms pas een aantal dagen na de structure, kunnen omslaan in schuldgevoelens of sterke gevoelens van verlating of depressie. Een limiterings-structure waarin de rolfiguren loslaten of met zijn allen op de grond vallen, kan in de periode na de sessie heftige, onverwachte woede-uitbarstingen of roekeloos of zelfbeschadigend gedrag tot gevolg hebben. De razernij komt hieruit voort dat de cliënt nog steeds op zoek is naar veilige grenzen in het dagelijks leven, de begrenzing die wederom, niet werd geboden, 'zelfs niet in de therapie'. 5.5 De juiste context en het leeftijdsniveau is onduidelijk De cliënt 'schiet' heen en weer tussen een ervaring als volwassene in het hier en nu en een onduidelijke herinnering als het kind van destijds. De 'historical scene' komt niet uit de verf, dat wil zeggen: de oorspronkelijk geschiedenis en het leeftijdsniveau, blijven onduidelijk. Er vindt geen reconstructie en geen herbeleving plaats van de opeenvolging van gebeurtenissen en interacties waarin het kind vroeger te kort is gekomen. De alternatieve ervaring met de begrenzende ideale ouder-figuren wordt niet als tegenwicht tegenover de oorspronkelijke geschiedenis ervaren en niet als herinneringsalternatief in het geheugen opgeslagen. Het is niet meer dan een krachtmeting in het hier en nu zonder duidelijk therapeutisch doel, de cliënt is niet in contact met een relevante historische context, de symbolische betekenis blijft onduidelijk. 5.6 De cliënt schaamt zich Wanneer een cliënt zich voor het eerst onvoorbereid van deze sterke impulsen bewust wordt, is schaamte vaak de eerste reactie. Schaamte verwijst naar zich betrapt voelen op spontane gevoelens van trots en grandiositeit, terwijl de ander jou met zijn blik of woorden laat weten hoe klein en onbeduidend je eigenlijk bent (de Boer 1994). Een cliënt zou wel onder de grond willen kruipen om de afkeurende blik van de buitenstaander te ontwijken. Een ander bedekt de ogen met de handen en duwt de vingers met kracht tegen de oogbollen in plaats van de impuls te volgen de blik van de beoordelende ander te doen stoppen. De therapeut kan dit 'bevangen worden door schaamte' voorkomen door de cliënten van een nieuwe groep in een inleiding over de basisbehoefte 'begrenzing' voor te lichten, waarna de groepsleden dit thema in een groepsgesprek aan de hand van de eigen geschiedenis kunnen bespreken. Hierna ervaring opdoen met de 'vuistworstel oefening' en de 'oefening met ideale begrenzende ouders' kan de deelnemers doen laten wennen aan het fysieke contact. Samen in oefeningen met dit thema bezig versterkt het besef van universaliteit en bevordert de groepscohesie door de noodzakelijk samenwerking als team. 'Het is een grote opluchting voor me te ontdekken dat ik niet de enige ben met dit probleem', zegt een cliënt. Een ander: 'Hij vertrouwde mij zo maar de rol toe van ideale vader toe, ik had niet gedacht dat ik het in me had'. Summary Working with physical limits in a therapeutic setting is a quite an innovating technique developed in Pesso Boyden System Psychomotor. Clients experience that limit-structures have a powerful therapeutic effect, which helps them to reconnect to their original resources of vitality, spontaneity and creativity. This article describes the importance of the issue of omnipotence and limits in early stages of human development. Reasons for working therapeutically with limiting techniques on a bodily level are discussed (1). Theme's such as hatred, guilt, narcissistic isolation, parentification, promiscuity and acting out are described (2). PBSP interventions have to be applied in accordance with the principles of flexibility and validation, and 'step by step', thus safeguarding the client's autonomy (3). The paper concludes with some specific themes within limit structures (4), and offers suggestions on how to prevent negative therapeutic outcome (5). LiteratuurAnzieu, D. (1989). The skin ego: The psychoanalytic approach. New Haven & London: Yale University. Beloof, R. (1986). Accommodating in psychomotor groups. Available: 1613 Josephine Street, Berkeley, CA 94703 USA. Boer, E. de. (1994). The body of the word. Proceedings of the Second International Conference on PBSP, Atlanta, Georgia: Southeastern Psychomotor Society. Bruine, G. de. (1994). Power and openness. Proceedings of the Second International Conference on PBSP, Atlanta, Georgia: Southeastern Psychomotor Society. Cooper, D. (1992). Professional ethics and Pesso System Psychomotor Therapy. Proceedings of the First International Meeting on PBSP. Amsterdam. Pesso Bulletin 8(2) 35-59. Crandell, J. (1991). Pesso System Psychomotor and object relations theory. In A. Pesso & J. Crandell. Moving psychotherapy: Theory and application of Pesso System Psychomotor Therapy. Cambridge, Massachussetts: Brookline Books. Dijk, A. (2000). Redactioneel commentaar. Met dank ontvangen. Duijvenboden, Th. van. (2000) Soulprojection en Projectieve Identificatie. Tijdschrift voor Pesso-psychotherapie, 16(2). Haver, W. Van. (1995). Redactioneel commentaar. Met dank ontvangen. Haver, W. Van. (2000). Het contract in Pesso-psychotherapie. Periodiek KERN 65, augustus 2000. Sint-Niklaas, Belgie. http://users.skynet.be/kern Howald, M. (1992). Some aspects of the concept of limiting. Proceedings of the First International Meeting on PBSP. Amsterdam. Pesso bulletin, 8(2) 11-18. Moser, T. (1991). Strukturen des Unbewussten, Protokolle und Kommentare. Stuttgart: Klett-Cotta. Perquin, L. (1986). Pesso-psychotherapie en psychoanalytische concepten. Deel I: Pesso Bulletin, 2(1), Deel II: Pesso Bulletin, 2(2). Perquin. L. (1994). A New Training Model in PBSP. Proceedings of the Second International Conference on PBSP, Atlanta, Georgia: Southeastern Psychomotor Society. Perquin, L. (2000) European Training Curriculum. Interne publicatie. Perquin, L. en Pesso, A. Pesso-psychotherapie bij de behandeling van de gevolgen van seksueel misbruik. Tijdschrift voor Pesso-psychotherapie, deze uitave, 16(3) . Pesso, A. (1969). Movement in Psychotherapy. New York: University Press, Hoofdstuk 8. Idem, heruitgave, Atlanta: Telles Institute (1989). Pesso, A. (1973). Experience in action: a psychomotor psychology. (Chapters 4 & 6). New York: New York University Press. Beschikbaar op: www.PBSP.com Pesso, A. (1984). Touch and Action: The Use of the Body in Psychotherapy. Bewegen en Hulpverlening. 1984. 254-259. Pesso, A. (1990). Centre of Truth, True Scene, and Pilot in PS/P. Pesso Bulletin, 6(2) 13-21. Pesso, A. and Crandell, J. Eds. (1991). Moving Psychotherapy: Theory and Application of Pesso System Psychomotor Therapy. Cambridge, Massachussetts: Brookline Books. Pesso, A. (1994). Slide Introduction to Pesso Boyden System Psychomotor. Franklin, New Hampshire: Psychomotor Institute. Gedeeltelijk beschikbaar op: www.PBSP.com Pohorely, I. (1992). Elements of Pesso Psychomotor System in workshops with political refugees. Proceedings of the First International Meeting on PBSP. Amsterdam. Pesso Bulletin, 8(2). Proust, M. (1913). A la recherche du temps perdu. Sarolea, H. (1986). Working with Ideal Parents. Pesso Bulletin, 2(1) 38-45. Sommeling, L. (1996). The soul in Pesso Boyden System Psychomotor. Proceedings of the Third International Conference on PBSP, Basel, Switzerland. Stern, D. (1985). The interpersonal world of the infant: A view from psychoanalysis and developmental psychology. New York: Basic Books. Correspondentie
adres:
|
|||||||||