Pesso-psychotherapie bij de behandeling van de gevolgen van seksueel misbruik
Lowijs Perquin en Albert Pesso
Het ondergaan hebben van seksueel misbruik verstoort zowel het contact met het eigen lichaam als het contact met andere mensen. Het lichamelijke zal daarom in de behandeling van de gevolgen van seksueel misbruik een plaats moeten krijgen. Dit artikel laat zien hoe de problemen die het betrekken van het lichaam in de individuele psychotherapie met zich meebrengt, in de Pesso-psychotherapie worden benaderd door in de gestructureerde context van een groep de cliënt de gelegenheid te geven emoties lichamelijk te uiten en basale behoeften op een symbolische manier te vervullen. Door de systematische wijze waarop het lichaam in de therapie wordt betrokken, kan de cliënt ervaren dat zijn of haar lichamelijke integriteit wordt gerespecteerd en dat het eigen lichaam te vertrouwen is. Na een overzicht van de gevolgen van seksueel misbruik worden de therapeutische inter-venties aan de hand van acht thema's in een casus besproken.
Waarom het lichaam in de psychotherapie?
In het contact tussen mensen speelt lichamelijke communicatie een minstens even belangrijke rol als de verbale uitwisseling. Voor het psychotherapeutisch handelen lijkt dit vooralsnog weinig consequenties te hebben (Sommeling 1994, 2000). In de therapiekamer telt vooral het gesproken woord. Dit is een manco bij een aantal problemen waarvoor mensen psychotherapeutische hulp zoeken, waaronder de gevolgen van seksueel misbruik. Seksueel misbruik grijpt niet alleen in op het psychisch functioneren, maar verstoort ook de relatie met het eigen lichaam en het contact met andere mensen (Cuppen 2000). De beangstigende en verwarrende emoties die ermee gepaard gaan, blijven zich later langdurig ook als lichamelijke sensaties en zintuiglijke herinneringen manifesteren. Het is moeilijk voor te stellen hoe deze gevolgen met alleen woorden zouden kunnen worden behandeld. Trauma- en geheugenonderzoek laat zien hoe emotionele verwaarlozing en vroege fysieke en seksuele traumata in het heden doorwerken. Vaak presenteren deze zich als lichamelijke klachten en belevingen (Draijer 1990, van der Kolk e.a. 1996). Het lichaam slaat informatie op en heeft een eigen taal, geheugen en interpretatiekader. In het lichaam ligt het verhaal van het verleden opgeslagen en als zodanig beïnvloedt het de beleving van heden en toekomst (Cuppen 2000). Dat lichaam en geest onlosmakelijk verbonden zijn, wordt door de snel groeiende kennis uit de neurowetenschappen (her)bevestigd (Schacter 1997, Damasio 1999, van Strien 2000). Ook in dit licht ziet het ernaar uit dat voor de behandeling van de gevolgen van seksueel misbruik 'erover praten' niet voldoende is (Witter 1999).
Een ander argument is dat juist de cliënt die lichamelijk is getraumatiseerd, professionele aandacht verwacht voor zowel de psychische gevolgen van de traumatisering als het lichamelijk gekwetst zijn. Ondanks een diepgeworteld wantrouwen of dit wel mogelijk is, koestert de cliënt een sterk verlangen naar rehabilitatie van de lichamelijke integriteit. Een wens die wegens angst en schaamte vaak niet wordt verwoord en door therapeuten soms wordt misverstaan als het uitageren van erotische of seksuele wensen. Zo komen we op de verantwoordelijkheid van de behandelaar. Als eerste moet de therapeut zich realiseren dat loochening van psychische en fysieke pijn een noodzakelijke overlevingsstrategie is van mensen die fysiek of seksueel zijn overweldigd. Getraumatiseerde mensen hebben geleerd te wachten totdat de ramp zich heeft voltrokken. Zij zijn ertoe geneigd te verduren om daarna schijnbaar ongeraakt over te gaan tot de orde van de dag. De therapeut die voorbijgaat aan de onuitgesproken behoefte van de cliënt aan eerherstel van het geminachte lichaam, draagt onbedoeld bij aan een herhaling van een geschiedenis van weer moeten verdragen (van Lichtenburcht 2000).
Een tweede aspect dat naar de verantwoordelijkheid van de therapeut verwijst is, dat hoe meer zorg de cliënt voor het lichamelijke behoeft, des te gevoeliger de interactie ligt binnen de psychotherapeutische relatie. De cliënt zal sterke negatieve gevoelens voor de therapeut ervaren, zoals schaamte, wantrouwen en de angst niet geloofd of schuldig gevonden te worden. Ook afkeer van het eigen lichaam kan in de persoon van de therapeut worden geprojecteerd. De daarmee strijdige intense verlangens naar lichamelijke genegenheid en de hoop op onvoorwaardelijke acceptatie kunnen uiterst verwarrend zijn. Tevens kan de cliënt moeite hebben met het onderscheid tussen letterlijk lichamelijk contact en de symbolische betekenis ervan. Een gewone handdruk aan het eind van een gesprek kan beladen en op den duur zelfs beangstigend worden. De therapeut ontkomt niet aan reddersfantasieën en momenten van erotisch gekleurde tegenoverdrachtsgevoelens (van Tilburg 1988, Perquin 1994). Ook zal hij moeten kunnen verdragen dat de cliënt hem bij tijden als een buitenstaander ziet die het toch niet begrijpt of lastiger nog: als een potentiële dader. De therapeut loopt het risico zich met deze rol te identificeren en zelfs het bijbehorende gedrag te gaan vertonen. Nederlands onderzoek laat zien dat zes procent van de psychotherapeuten ooit een seksuele relatie met een cliënt -meestal cliënte- is aangegaan (Aghassy en Noot 1990). Het is te verwachten dat het hier vaak om cliënten met een achtergrond van seksueel misbruik gaat. Dit percentage zet aan het denken. Het maakt duidelijk dat een therapeut die lichamelijk contact met een therapeutisch doel toepast, moet garanderen dat daarmee niet de weg naar erotisch of seksueel contact wordt geëffend. Immers, wanneer in de therapie het verleden op pijnlijke wijze wordt herhaald, is dit de therapeut te verwijten. Door de afhankelijkheid die eigen is aan de hulpverleningsrelatie, versterkt door de voorgeschiedenis van seksueel misbruik, zal het de cliënt de grootste moeite kosten zelf stelling te nemen. Er is moed voor nodig om een therapeut die de grenzen overschrijdt zijn plaats te wijzen, eventueel met behulp van een beroepsinstantie of de rechter. Onvoldoende toegang hebben tot de emoties die tot een dergelijke stellingname kunnen leiden is nu juist een van de redenen waarom de cliënt hulp heeft gezocht.
De cliënt is niet op zoek naar een seksuele ervaring maar naar een volwassene die laat merken: 'Ik geef om je, ik respecteer en waardeer jouw wensen, maar ik ben alleen als therapeut voor je beschikbaar'. Een dergelijke professionele houding is niet 'afstandelijk' maar impliceert intimiteit binnen een veilige, begrenzende sfeer en context. De cliënt behoeft immers validering van het verlangen naar intimiteit - op het belevingsniveau van het kind in relatie met een betrouwbare volwassene - zonder dat deze erkenning letterlijk in het fysieke contact met de therapeut hoeft plaats te vinden. Zelfs wanneer de cliënt het initiatief> zou nemen tot erotisch of seksueel contact, is het de therapeut die moet weten hoe dit verlangen te beantwoorden en in goede banen te leiden. Hij (of zij) dient zich te onthouden van lichamelijk contact en niet op de wensen in te gaan, zonder echter het verlangen als zodanig af te wijzen of te devalueren. De abstinentieregel, die centraal staat in de traditionele psychotherapie, is méér dan een erfenis van puriteins Freudiaans denken. De professionele distantie van de therapeut biedt de cliënt in diens afhankelijkheidsrelatie de garantie dat er niets buiten diens toestemming zal gebeuren.
Een andere argument voor abstinentie is meer van therapeutisch-technische aard. Als de therapeut steunend, beschermend of troostend lichamelijk contact biedt, kunnen de overdrachts- en tegenoverdrachtsgevoelens hoog oplopen. Cliënt en therapeut kunnen op den duur maar moeilijk uit elkaar houden op wiens initiatief en ter vervulling van welke behoefte het lichamelijk contact plaats vindt. De verwarring die dat geeft, staat dan niet meer in verhouding tot de nagestreefde verheldering. Dat is een probleem dat in de context van een individuele therapie niet gemakkelijk is op te lossen (Leijssen 1998, Van Haver, 2000).
Het lichaam in de psychotherapie: hoe gaat de Pesso-psychotherapie daar mee om?
De Pesso-psychotherapie gaat ervan uit dat wanneer de integriteit van het lichaam is geschonden, respectvol, lichamelijke contact in de therapie onmisbaar is. Een experiëntieëel-cliëntgerichte attitude en methodische aandacht voor het lichaam vormen de basis waarin cognitie, emotie en lichamelijk beleven en uiten bijeen komen in een systematische werkwijze. Het lichaam als invalshoek in de Pesso-psychotherapie biedt de cliënt de gelegenheid om onopgeloste emotionele conflicten uit het verleden door te werken, door deze niet alleen te bespreken, maar ook opnieuw te ervaren en op een lichamelijke wijze tot uitdrukking te brengen (Pesso 1984). De theorie sluit nauw aan bij psychodynamische, systeemtherapeutische en leertheoretische referentiekaders (Perquin 1986, Perquin en Rehwinkel 1999).
Pesso-psychotherapie is een individuele therapie die in een groep plaats vindt. De cliënten krijgen om beurten een vastgestelde individuele werktijd. In een wekelijkse groep, bestaande uit zeven of acht deelnemers, komen per avond twee of drie cliënten individueel aan bod. De andere groepsleden zijn tijdens een therapiesessie beschikbaar om op verzoek van de hoofdpersoon belangrijke personen uit het heden of verleden te vertegenwoordigen. Dit voor de Pesso-methode specifieke rollenspel wordt 'accommodatie' genoemd: het lichamelijke contact past precies (accommodeert) bij de behoefte van de hoofdpersoon. De deelnemers bereiden zich door middel van oefeningen op de werkwijze voor. De oefeningen helpen om gevoeliger te worden voor de betekenis van zintuiglijke ervaringen. Het accommoderen wordt 'ingeoefend' en de deelnemers leren veilig beschermend, ondersteunend en begrenzend lichamelijk contact met een symbolische betekenis te bieden. Gaandeweg ontstaat een sfeer van samenwerking, waarbij vooraf gemaakte werkafspraken voor optimale veiligheid zorgen. Naast het verhaal van de cliënt dienen als aanknopingspunten: lichaamshouding en motoriek, lichamelijke symptomen en klachten, waardoor onderliggende psychische conflicten, onvervulde behoeften en traumatische ervaringen meer bewust kunnen worden.
Hoe verloopt een therapeutische sessie in de groep?
Aan de hand van wat de cliënt vertelt, verkennen therapeut en cliënt de betekenis van verandering in stemgebruik, gelaatsuitdrukking, lichamelijke sensaties, lichaamshouding en beweging. Innerlijke gebiedende, verbiedende en kritische cognities die uit het verhaal naar voren komen, worden door rolspelers met een negatieve functie gespeeld, zoals een verwijtende of pessimistische stem. Wanneer de cliënt zich van een lichamelijke behoefte, verlangen of emotie bewust wordt, kunnen helpende figuren in positieve rollen worden ingezet. Een groepslid kan in de rol van 'steunende figuur' worden gekozen en letterlijk lichamelijk steun bieden met een symbolische betekenis. De zogenoemde 'getuige-figuur' representeert het vermogen van de therapeut om de affectieve beleving aan de hand van de woorden en gezichtsuitdrukking van de cliënt waar te nemen, deze op waarde te schatten en in de juiste context te laten verwoorden. Door de affectieve mimische expressie nauwkeurig te volgen, steeds te benoemen én te toetsen wordt de cliënt zich bewust van de wisselende emoties die met zijn of haar verhaal mee-fluctueren. Daardoor kan wat voorbewust en onbenoemd is naam en vorm krijgen, bewust worden en in beweging komen (Pesso 1992).
Bovenstaande kan in termen van geheugenfuncties worden beschreven. Als een destillaat van de geschiedenis liggen de vele gebeurtenissen -zo ook onvervulde behoeften en verlangens- als schema's, cognities, percepties en attituden in het geheugen opgeslagen. Zij hebben hun sporen nagelaten en liggen klaar om te worden geactiveerd om vanzelfsprekend gedrag in gang te zetten. In nieuwe omstandigheden en gebeurtenissen die vergelijkbaar zijn met vroegere ervaringen, worden deze oude blauwdrukken naar het werkgeheugen 'opgehaald'. De nieuwe, met vroeger vergelijkbare situaties genereren habituele reacties en bekend gedrag. De Pesso-psychotherapie baseert haar werkwijze op de aanname dat het heden altijd gezien wordt door de bril van het verleden (Pesso 1994). Wat zich in het begin van een therapiesessie binnen het bewustzijn van de cliënt in het hier en nu afspeelt, wordt door het gebruik van rolfiguren tevens buiten de cliënt gerepresenteerd. De informatie die in het therapeutische klimaat (Possibility Sphere) bovenkomt is een afspiegeling van de ware innerlijke 'state' van de cliënt. Als vanzelf worden nu met de actualiteit geassocieerde ervaringen uit het verleden gegenereerd. Doordat de cliënt vervolgens rolfiguren kan kiezen die negatieve en positieve aspecten van een belangrijke ander van vroeger vertegenwoordigen, worden oude ambivalente gevoelens verhelderd. Verdriet, teleurstelling en kwaadheid kunnen worden geuit, er kan worden gerouwd om wat destijds werd gemist en het onvervulde verlangen naar wat er niet was kan bewust worden beleefd. In overleg met de therapeut creëert de cliënt in het laatste deel van deze gestructureerde> therapiesessie ('structure') met behulp van rollenspelers een alternatief scenario. De nieuwe scènes zijn zichtbaar, concreet-tastbaar én hebben een symbolische betekenis. Zij kunnen een tegenwicht gaan vormen tegenover de oorspronkelijke traumatische ervaringen.
Hoe kan nu een scène die in het heden van de therapie groep vorm krijgt, invloed uitoefenen op het verleden en daarmee gunstig werken op de actuele perceptie in het hier en nu en het toekomstperspectief?
Ten eerste geeft de cliënt precieze aanwijzingen: hoe moeten de rollenspelers zitten, kijken, hem of haar aanraken en vasthouden, wat moeten zij zeggen, enzovoort. De cliënt heeft regie over elke stap. Door zelf deze gratificerende, symbolische interacties in detail te ensceneren, wordt de cliënt zich meer bewust wat hij of zij gemist heeft en komt het besef op gang dat 'het zo had kunnen zijn'.
Ten tweede is dit alternatief geen sprookje maar een passend antwoord op een gerechtvaardigd verlangen van het kind van destijds. Het krijgt op symbolisch niveau vervulling van zijn aangeboren maar miskende behoefte aan een veilige plek, de behoefte om gekoesterd en gevoed te worden, de behoefte aan bescherming, steun en veilige grenzen. De cliënt kan deze nieuwe ervaring als herinneringsalternatief in het geheugen opslaan.
Ten derde wordt niet gesuggereerd dat daarmee de sporen van het verleden zijn gewist. Wel wordt de associatie tussen de verstorende emoties en onvervulde behoeften van destijds en de huidige cognities en percepties minder dwingend. 'The client adds a new piece of synthetic memory' (Pesso 1999). Het is alsof een nieuw stukje informatie over de oude informatie wordt heengeschreven. Hierdoor raakt deze laatste meer op de achtergrond en boet aan dwingende kracht in (Witter 1999). Het aantal belevingsalternatieven en opties om het eigen gedrag te kiezen en te sturen neemt daarmee toe.
Ten vierde ervaart de cliënt de nieuwe mogelijkheid niet alleen op verbaal of imaginair niveau, zoals bij hypnose, cognitieve therapie, imaginaire confrontatie of Eye Movement Desensitisation and Reprocessing (EMDR), maar ook op lichamelijk niveau. Alle zintuiglijke informatie - visueel, auditief, tactiel, proprioceptief en kinesthetisch - wordt in het proces betrokken. Dit heeft als gevolg dat de nieuwe ervaring beter beklijft.
Als vijfde en laatste punt is van belang dat de cliënt wordt aangemoedigd om het ervarene naar de praktijk van alle dag te vertalen. De nieuwe therapeutische ervaringen dragen bij aan een realistischer en positiever zelfbeeld en optimistischer verwachtingen over de wereld als tegenwicht tegenover de conclusies die de cliënt uit de persoonlijke geschiedenis heeft getrokken. Er komt energie vrij om keuzes te maken die tot meer plezier, bevrediging, zin en verbondenheid in het huidige leven kunnen leiden (Sarolea 1988).
Terugkomend op het probleem van het lichamelijk contact in een psychotherapeutische relatie, lost de Pesso-psychotherapie dat als volgt op:
· het lichamelijk contact wordt in een geritualiseerde vorm met een symbolische betekenis geboden;
· daarbij heeft de cliënt de regie, er gebeurt niets wat deze niet eerst zelf aangeeft. De medegroepsleden zijn beschikbaar voor de rollen die zij op zich nemen en weer afleggen;
· de therapeut schept slechts de voorwaarden waarin de cliënt de therapeutische ontdekkingsreis aangaat. De therapeut stelt zich op als volgzame gids, als regisseur die de hoofdrolspeler zijn eigen scène laat improviseren en is niet als rolspeler beschikbaar.
Pesso-psychotherapie is vanaf het begin van de jaren zestig door Albert Pesso en Diane Boyden-Pesso in de Verenigde Staten ontwikkeld. De methode werd in 1972 in Nederland geïntroduceerd. Sindsdien zijn 120 psychologen, psychiaters en therapeuten in de werkwijze opgeleid. De veilige, behoedzame manier waarop het lichaam in het therapeutisch proces wordt betrokken, maakt de therapie geschikt voor cliënten die seksueel zijn misbruikt. Zonder in detail op theoretische aspecten in te gaan, zal in dit artikel aan de hand van het therapeutisch proces van een cliënt een beeld worden geschetst van de mogelijkheden van de Pesso-psychotherapie voor cliënten die seksueel zijn misbruikt. Eerst volgt een overzicht van de gevolgen van seksueel misbruik in het algemeen, welke relevant zijn voor elke vorm van psychotherapie waarin het lichamelijke aandacht krijgt.
Gevolgen van seksueel misbruik
Seksueel misbruik is door het samengaan van geweld en intimiteit een schokkende en verwarrende ervaring (van Tilburg 1988). Het gaat om een ernstige inbreuk op de psychische en lichamelijke integriteit van de betrokkene met ernstige gevolgen voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid, het vertrouwen in het contact met andere mensen en het levensgeluk (Pesso 1988b). Mensen die seksueel zijn misbruikt dragen vaak diep verborgen een kwetsuur met zich mee. Sommigen leren hun kwetsbaarheid te verbergen achter een façade van stoerheid. Anderen overleven met behulp van een sterke mate van dienstbaarheid aan de ander of juist een achterdochtige levenshouding. Ook komt de neiging voor gevaren op te zoeken en te trotseren zoals in risicovol seksueel gedrag. Vaak betreft het mensen met een verhoogde alertheid voor de gevoelens van anderen. Jezelf moeten overleveren aan de macht van de ander, je gedwongen lichamelijk moeten openstellen, ondermijnt de beschermende kracht van het ego. Een overaccentuering van de receptieve, kwetsbare kant kan daaruit voortkomen. Terwijl de kwetsbaarheid wordt vergroot, wordt het deel van de psyche dat kracht, macht, het vermogen tot verzet en agressie vertegenwoordigt, ondermijnd. Door het machtsoverwicht van de dader werd de wil van het slachtoffer gebroken. Vrijwel altijd is er sprake geweest van verzet, dat echter moest worden opgegeven vanwege het risico dat het geweld van de dader zou verergeren. De betrokkene heeft zijn of haar zelfbescherming moeten opgeven en werd kennelijk niet de moeite waard gevonden om door een ander mens te worden verdedigd. Gedegradeerd worden tot object, tot gebruiksvoorwerp waarmee de dader kan doen wat hij wil, laat diepe sporen na in het zelfrespect en het vertrouwen in de eigen mogelijkheden. Het geloof dat je bij anderen welkom bent - gewoon om wie jij bent - is geschonden. Zichzelf laten zien, zich uiten, naar buiten treden, contact maken is beladen met schaamte en schuld. De overtuiging recht te hebben op de zorg van anderen, in het bijzonder de zorg van ouders wanneer het een kind betreft, is aan het wankelen gebracht of definitief geschonden.
Volwassenen die als kind seksueel zijn misbruikt, hebben soms slechts vage herinneringen aan een machteloos makende, verwarrende situatie. Zij kunnen niet plaatsen wat er gebeurd is en worstelen vaak met lichamelijke klachten en psychische symptomen, zonder precies te weten waar die vandaan komen. Kenmerken van een post traumatische stress stoornis kunnen aanwezig zijn: het regelmatig herbeleven van het trauma in zich opdringende herinneringen of dromen, het vermijden van activiteiten die aan het gebeuren zouden kunnen doen herinneren, zich afsluiten voor gevoelens en een verminderde betrokkenheid bij de omgeving (DSM IV, American Psychiatric Association 1994). Het als kind ondergaan van seksueel misbruik is echter meer dan een ernstige traumatische ervaring: het kind wordt in zijn meest basale behoeften miskend met verreikende gevolgen voor het beeld dat het van zichzelf en de wereld ontwerpt. Het kan zich vaak maar moeilijk een voorstelling maken van relaties die gebaseerd zijn op respect en wederzijds vertrouwen. Anders dan bij mensen die op latere leeftijd voor het eerst seksueel zijn misbruikt, kan degene die met vroege incest is geconfronteerd minder terugvallen op eerdere positieve ervaringen in de relaties met anderen (Schacht 1988, Draijer 1990). Dat brengt met zich mee dat de ontwikkeling van de persoonlijkheid en van de psychische functies ondermijnd kan zijn. Het vermogen de eigen wil te bepalen, op intuïtie te vertrouwen en competent te zijn in moeilijke situaties kan geblokkeerd zijn, evenals het vertrouwen in het eigen lichaam. Technisch gezegd: seksueel misbruik en vooral de context van emotionele pedagogische verwaarlozing waarin deze plaatsvindt, leidt tot een verzwakking van ego-functies. Dat wil zeggen dat het ego als integrerende instantie, die onder meer als taak heeft de verschillende tegengestelde kanten van het zelf bijeen te brengen en in balans te houden en met de buitenwereld te communiceren, verzwakt is. Het gaat om capaciteiten die zich in interactie met ouders of verzorgers hebben ontwikkeld, doordat deze een veilige plaats en voldoende voeding, bescherming, ondersteuning en begrenzing boden (Pesso 1973). Een goed functionerend ego is als een huid, een membraan die het ware zelf omhult (Anzieu 1989). Bij beschadiging daarvan kunnen zowel de receptieve, kwetsbare kant als de agressieve, krachtige kant van het zelf onhanteerbaar en chaotisch naar buiten treden.
Seksueel misbruik heeft als gevolg dat het ego van twee kanten wordt aangevallen: van 'buitenaf', door oncontroleerbare prikkels die het dreigen te overspoelen en van binnenuit door reactivering van vroegkinderlijke angsten en impulsen die niet meer betrouwbaar aan de realiteit kunnen worden getoetst (Ehlert 1988). Bovenbeschreven ondermijning van de ik-functies maakt begrijpelijk dat een groot aantal klachten en stoornissen van verschillende aard in verband kunnen staan met seksueel misbruik. Zonder volledig te zijn worden hier een aantal veel voorkomende klachten en symptomen beschreven.
Het slachtoffer kan lijden onder gevoelens van bezoedeld en geschonden zijn, het gevoel van verlies van controle, een verminderd ik-besef en twijfel over de eigen identiteit. Het vermogen om helder te denken, waar te nemen en te spreken kan zijn afgenomen. Periodieke bewustzijnsdalingen en een verminderde realiteitstoetsing, nodig om onderscheid te maken tussen de buitenwereld en fantasie, kunnen leiden tot psychotische perioden. Vaak is er sprake van een extreme vervreemding van het lichamelijk beleven. Dat kan leiden tot eetstoornissen; bij overeten als poging zichzelf met voedsel te troosten of het lege gevoel in buik te doen verdwijnen, terwijl het braken van de boulimie-patiënt ook een reinigingsritueel is en schuldgevoel kan uitdrukken. Het streven naar ondergewicht in de anorexia nervosa kan een poging zijn om op zijn minst op het terrein van voeding controle te hebben of het vrouw-zijn 'weg te maken', terwijl de hypoglycaemische roes ook vergetelheid en tenslotte de aandacht van dokters en ziekenhuisopnames oplevert. De aangeleerde overlevingsstrategie om lichamelijk niets te voelen kan tot een dagelijks automatisme zijn geworden. Dit kan gepaard gaan met chronische pijnklachten, sterke spierspanning in de nek, rug of bekken-bodemspieren en seksuele functiestoornissen. Chronische angst, paniekaanvallen en agorafobie kunnen eveneens in verband staan met vroeger seksueel misbruik. Soms is er sprake van een neiging om gevoelens van kwaadheid onverwacht en heftig naar buiten te laten komen, meestal uitgelokt door schijnbaar onbetekenende situaties of conflicten. Vaker komt het voor dat in een poging controle te houden, de woede op zichzelf wordt gericht; impulsief bij een suïcidepoging, schijnbaar weloverwogen bij eindeloze schoonmaakrituelen en automutilatie; diep verborgen in een depressie. Vaak gaat zelfbeschadiging gepaard met onbegrensde gevoelens van almacht of gevoelens van ontlading en opluchting dat het eigen lichaam eindelijk weer gevoeld wordt.
Aan een kind dat door vader gedwongen wordt zijn seksuele partner te zijn, worden eisen gesteld die op geen enkele wijze door een kind kunnen worden ingewilligd. Dit te hebben overleefd heeft kan het idee versterkt hebben alles, ook in lichamelijke zin, te kunnen overleven. Deze fantasie van een onbegrensd lichamelijk incasserings-vermogen maakt soms dat steeds sterkere pijnprikkels worden toegediend om het eigen lichaam te ervaren. Vergaande vormen van lichamelijke verminking kunnen er het gevolg van zijn (Schacht, 1988). Onbegrensde openheid en almachts-gevoelens kunnen ook leiden tot het opzoeken van situaties met een verhoogd risico dat misbruik zal plaatsvinden, zoals op het werk, 's nachts op straat, in een promiscue levenswijze of in de prostitutie. Vaak zijn dit paradoxale pogingen om in voortdurende herhaling alsnog over de traumatische situatie controle te krijgen.
Uit angst voor het opnieuw moeten doormaken van de ervaring van onbegrensd open zijn, doen slachtoffers van seksueel misbruik zich echter meestal meer gesloten voor dan andere mensen, beducht de ander te nabij te laten komen. De behoefte aan veiligheid en respectvolle nabijheid kan verborgen blijven achter een façade van afstandelijkheid. Kwetsbaar en open zijn kan zo beangstigend zijn dat elk gevoel wordt afgeweerd zoals bij chronische depersonalisatie. Dissociatieve stoornissen, zoals de reeds genoemde schemertoestand, de depersonalisatie en de dissociatieve persoonlijkheidsstoornis kunnen gezien worden als vergaande pogingen om de traumatische ervaringen uit het bewustzijn te weren.
Door bovengeschetst conglomeraat van zeer verschillende symptomen is herkenning vaak moeilijk. Soms wordt pas na jaren therapie bij verschillende behandelaars duidelijk dat het complex van symptomen, klachten en levensproblemen met seksueel misbruik samenhangt. Dit is overigens geen rechtvaardiging om aan de hand van bepaalde verschijnselen te voortvarend bij een cliënt seksueel misbruikt te veronderstellen. Met name een therapeut die het lichamelijke serieus neemt moet ervoor waken de suggestie te wekken in staat te zijn aan de hand van 'lichaamstaal' een dergelijke 'diagnose' te kunnen stellen.
Een 29-jarige vrouw vertelt in een intakegesprek dat zij als kind vanaf haar zesde tot haar tiende jaar door haar vader seksueel is misbruikt. Zij heeft geleerd zich van haar lichaam los te maken, als het ware uit haar lichaam te treden. Op die manier is zij de steeds terugkerende gevoelens van afkeer en verwarring de baas kunnen blijven. Wat haar vader ook met haar lichaam deed, zij bleef 'erbuiten'. Zij kon zichzelf voorhouden dat het niet haar werd aangedaan. Dit vermogen tot dissociëren geeft haar een waas van ver weg zijn, mysterieus, niet van deze wereld. Zij blijkt sterk in beslag genomen door metafysische onderwerpen. Wanneer zij daarover vertelt blijft echter onduidelijk wat zij precies bedoelt. Haar stem is zacht, bijna onhoorbaar. Haar verschijning en gedrag en vooral haar blik stralen een grote kwetsbaarheid en afwachtendheid uit die, zoals uit haar verhaal blijkt, bij anderen vaak ergernis oproept. Gewoonlijk zijn de beide functies van het kijken - informatie opnemen en een bericht uitzenden - in gelijke mate aanwezig. Haar manier van kijken wekt echter zelden de indruk dat zij invloed zou willen uitoefenen op haar omgeving. Het is alsof zij voortdurend open staat om alles wat er om haar heen gebeurt in zich op te nemen.
We neigen ertoe complementair te reageren op het gedrag van de ander. Wanneer iemand zich kwetsbaar toont, worden anderen minder kwetsbaar en stellen zich steviger op. Hoe sommige slachtoffers van misbruik andere mensen - ook therapeuten - ertoe kunnen brengen de ergste dingen te zeggen en te doen, lijkt een vorm van macht met een negatief voorteken. Het is van belang dat de therapeut hierop alert is en de eigen vaag agressieve gevoelens nauwkeurig bij zichzelf registreert. Daardoor kunnen onbedoelde kwetsende, intrusieve interventies worden voorkomen. Dat geldt ook voor andere, vaak halfbewuste gevoelens van de kant van de therapeut: plaatsvervangende schaamte, woede op de dader of erotisch gekleurde bewogenheid met de cliënt (van Tilburg, 1988).
Als compensatie van het gevoel kwetsbaar en weerloos te zijn, doen sommige cliënten veel moeite om hun fysieke kracht en competentie te vergroten. Een cursus zelfverdediging kan het psychisch evenwicht doen verbeteren. Toch zal de cliënt ook vat moeten krijgen op de gevoelens van kwetsbaarheid door deze ook lichamelijk opnieuw te ervaren. Dit is een weinig aantrekkelijk vooruitzicht, maar waarschijnlijk wel nodig om uiteindelijk met de doorgemaakte ervaring van seksueel misbruik in het dagelijks leven beter te kunnen omgaan. Liever wil de cliënt gevoelens van afhankelijkheid van de therapeut trachten te voorkomen. Voorwaarde voor een therapeutische samenwerking is dan ook dat de cliënt zich in de behoefte aan controle en autonomie erkend weet en gesteund voelt.
We bespreken nu het therapeutisch proces in een Pesso-groep van de hierboven genoemde cliënte aan de hand van een aantal thema's. Daarbij een paar opmerkingen vooraf.
· Door de bespreking aan de hand van thema's heeft de casusbespreking een schematisch karakter. Het gaat echter niet om een behandelprotocol met van tevoren vastgelegde stappen. In de praktijk van een therapeutisch proces zullen de verschillende elementen vaak afwisselend en bij herhaling aan bod komen. Bij elke cliënt zal de route een eigen richting hebben en andere zijwegen kennen. Er zullen momenten of periodes zijn dat de therapie stagneert, dat de cliënt die een crisis doormaakt aanvullende individuele gesprekken nodig heeft. Ook kan het gebeuren dat de realiteit van alle dag gedurende weken tot maanden voorrang heeft op het verwerkingsproces van de traumatische ervaringen. Binnen het bestek van deze tekst kan dit aspect, namelijk dat het om een circulair proces, waarin de effecten op het dagelijks leven steeds leidraad zijn, slechts worden aangeduid. Het artikel biedt niet de uitwerking van een volledige behandeling.
· De bespreking beperkt zich tot die bijeenkomsten van de groep waarbij de verwerking van het seksueel misbruik centraal staat. Daardoor heeft de casus enigszins een 'ideaal-typisch' karakter en kan de indruk ontstaan dat Pesso-psychotherapie een snelle oplossing is voor de behandeling van de gevolgen van seksueel misbruik. Dat is niet het geval. Zoals in elke therapie die de beleving van cliënten serieus neemt en zich richt op verwerking en niet alleen op symptomatisch succes, gaat het om een zoeken en proberen, bemoedigen en geduldig afwachten, tot de cliënt bereid en in staat is een volgende stap te zetten.
· Voordat de cliënt aan een therapiegroep deelneemt, bereidt deze zich gedegen voor in een Pesso-oefeningengroep. Vaak zal de cliënt eerst een individuele therapie achter de rug hebben. Ook het vooraf lezen van literatuur over de gevolgen van seksueel misbruik en de mogelijkheden van de Pesso-psychotherapie kan de cliënt helpen bij de voorbereiding op de eigenlijke therapie (van Attekum 1997).
· Niet iedere cliënt is bereid zijn of haar problemen met een groep medecliënten te delen. Wanneer de angst voor deelname aan een groep te groot is, ligt een individuele therapie in het algemeen meer voor de hand (zie ook: 'Indicatiestelling, beperkingen').
· Er is voor gekozen een vrouwelijke cliënt te bespreken vanwege het frequenter voorkomen van seksueel misbruik bij vrouwen. Dat neemt niet weg dat ongeveer 10% van de betrokkenen man is. Dit onderwerp verdient apart aandacht, maar valt buiten het bestek van dit artikel.
De volgende acht stappen in het therapeutisch proces van deze cliënte, worden nu besproken.
1. Angst en de noodzaak van controle
2. De behoefte aan veiligheid en bescherming
3. Het beleven van gevoelens van schuld en schaamte en de neiging tot zelfbestraffing
4. De expressie van openheid en ontvankelijkheid
5. De expressie van agressie
6. Het uiten van gevoelens van verdriet om wat verloren is gegaan
7. De wens om uiting te geven aan gevoelens van genegenheid
8. De behoefte aan een helend, respectvol contact met een persoon die dezelfde positie heeft als de oorspronkelijke dader.
De hierboven beschreven 29-jarige vrouw zocht hulp wegens een suïcidepoging na het vastlopen van een relatie met een achttien jaar oudere man. Seksuele problemen waren de aanleiding geweest van onderlinge verwijdering vol bitter verwijt. Cliënte had met de partner nooit over haar incest-verleden gepraat. Na een kortdurende klinische crisisopvang was cliënte gedurende twee jaar in individuele gesprekstherapie. Zij werd verwezen naar een Pesso-psychotherapiegroep omdat na aanvankelijke verbetering, 'praten haar niet meer verder hielp'.
1. Angst en de noodzaak van controle
Kenmerkend voor seksueel misbruik is het verlies van zeggenschap over het contact met de ander en het verlies van controle over de eigen lichaamsgrenzen. Daaraan gaan gepaard: een afgenomen vermogen om het eigen lichaam als bron van informatie te vertrouwen, een verlies van overzicht en beslisvaardigheid in complexe sociale situaties en een overweldigende angst voor afhankelijkheid. Daarom heeft het herstellen van het gevoel van controle prioriteit. De therapeut moet de integriteit van het lichaam en het recht op eigen keuzen onvoorwaardelijk voorop stellen. Steeds moet erop worden toegezien dat de cliënte zelf regie houdt over het therapeutisch proces en haar behoefte aan controle niet ongemerkt negeert. De cliënte moet niet vóór zij eraan toe is emoties uiten en niet voortijdig lichamelijke contact met rolfiguren aangaan.
Specifieke Pesso-oefeningen zijn gericht op het vergroten van de controle over het eigen lichaam en het versterken van de competentie. De cliënt leert haar lichamelijke signalen serieus nemen en de condities in de groep reguleren en naar eigen behoeften controleren en modelleren. De voorbereidende oefe-ningen gaan vooraf aan het feitelijk therapeutisch werk, de individuele sessies in de groep (Perquin 1991).
In de oefening 'gecontroleerde toenadering' krijgt zij de gelegenheid om vanuit een staande positie een deelnemer van de groep exact volgens haar aanwijzingen langzaam, op een neutrale manier naar zich toe te laten lopen. De instructie is dat de hoofdpersoon stil staat terwijl de rolspeler loopt of stopt, precies zoals de cliënte met een handgebaar aangeeft. Als de rolfiguur op haar aanwijzing minder dan een meter van haar afstaat, stuurt zij hem met een abrupt gebaar van haar hand weg. In de nabespreking vertelt zij dat het haar aanvankelijk niets kon schelen hoe dicht de rolspeler bij haar kwam. 'Maar toen ik hem vlak voor me had staan, voelde ik plotseling spanning in mijn kuiten. Ik had hem wel tegen zijn schenen hebben kunnen trappen als hij nog dichterbij was gekomen.' Zij herkent haar neiging om de controle op te geven en de ander over de grenzen te laten komen van wat voor haar aanvaardbare lichamelijke nabijheid is, om dan in paniek te raken en het contact abrupt af te breken. Wanneer zij de oefening later nog eens herhaalt, merkt zij dat de spanning in haar benen doet denken aan wat zij vaak tegenover haar vader voelde als hij bij haar in de buurt kwam.
Door vervolgens in deze gestructureerde oefening regelmatig met afstand en nabijheid te experimenteren leert zij nauwkeurig te bepalen en aan te geven wanneer het haar te dichtbij komt. Dat helpt haar om controle in de therapiegroep en in situaties met andere mensen serieus te nemen en te vergroten.
Zij volgt eerst tien bijeenkomsten in een Pesso-oefeningen-groep. Door concentratie-oefeningen neemt haar gevoeligheid voor lichamelijke signalen toe en krijgt zij beter vat op de samenhang tussen mentale en lijfelijk-emotionele processen. Verschillende oefeningen met als aandachtspunt, 'afstand en nabijheid' maken haar meer bewust van het belang van dit thema voor haar. Door de accommodatie-oefeningen leert zij enigszins vertrouwen dat lichamelijke expressie en veilige aanraking mogelijk zijn.
Wij volgen nu haar deelname aan een Pesso-psychotherapiegroep. Het accent ligt op het doen van individuele sessies ('Structures') in de groep.
Tijdens haar derde sessie in een wekelijkse structuregroep, komen meer details van de herinneringen aan het seksueel contact met haar vader boven. Zij wordt misselijk en voelt de neiging te gaan braken. Als overlevingsstrategie heeft zij geleerd op zo'n moment het contact met wat zij lichamelijk ervaart te laten varen, haar lichaam als het ware te verlaten. In plaats van het bewust ervaren van de heftigheid van de pijnlijke emoties, komt de braakreflex als een poging van het lichaam om de pijnlijke, te beladen gevoelens als het ware zo snel mogelijk 'te verwijderen'.
De therapeut stelt haar voor om twee deelnemers te kiezen in de rol van contactfiguren. Deze kunnen haar helpen controle te houden terwijl zij deze emoties beleeft. Zij kiest twee vrouwen die op haar verzoek naast haar komen zitten en de handen op haar schouders leggen. De therapeut vraagt of zij de buikspieren, rond de plaats waar zij de misselijkheid voelt, wil aanspannen. Haar schouders beginnen te schokken. De contactfiguren houden haar behoedzaam bij de schouders vast, waarop zij begint te huilen en zegt: 'Ik voel me weer zo bang als toen... ik kon niets ondernemen, ik was aan hem overgeleverd.' De therapeut vraagt of een groepslid in de rol van getuige mag zeggen: 'Ik zie hoe bang en onbeschermd je je voelt als je eraan terugdenkt hoe je aan hem was overgeleverd'. Wanneer de getuige-figuur dit zegt, geeft ze aan dat de contactfiguren haar steviger met de handen bij de schouders moeten vasthouden. Zij vraagt hen te zeggen: 'Wij zouden je beschermd hebben, wij hadden ervoor gezorgd dat je niet aan hem was overgeleverd'. Zij geeft nu pijn in haar schouders aan. De therapeut vraagt: 'Kun je proberen om de pijn te versterken en te bewegen zoals de pijn als het ware aangeeft.' Zij trekt haar schouders op, alsof zij haar hoofd ertussen wil verbergen. De contactfiguren geven nu op haar verzoek met hun handen wat meer tegendruk boven op haar schouders. Dan stoot zij een luide, angstwekkend schrille klank uit.
Mensen die seksueel zijn misbruikt leven met een vaak diep verborgen anticipatie-angst: een voortdurende allertheid voor mogelijk gevaar. Wanneer angst lang en met veel moeite wordt beheerst, krijgt deze een extra lading. De cliënte heeft destijds de volledige intensiteit van haar angst niet kunnen toelaten en ook later in haar leven nooit geuit. Zij is bang geworden vóór de angst en het moment dat zij deze zal ervaren. Zij vermijdt situaties die angst kunnen oproepen en probeert koste wat kost te voorkomen dat zij door angst wordt overspoeld. Angst heeft een sterk fysieke component. Kortademigheid, hartkloppingen, nekpijn, buikpijn zijn als lichamelijke symptomen de meest voorkomende uiting van onderliggende angst. Handen van zorgzame rolspelers op die lichaamsdelen waar de angst zich bij haar manifesteert - met de juiste druk en het precies passende contact door haar zelf aangegeven - kan haar helpen om zich veiliger te voelen op het moment dat zij de angst toelaat. Als zij de groepsleden niet in de rol van contactfiguren beschikbaar zou hebben, zou zij vrezen door haar emoties overspoeld te worden: zij zou bang zijn dat haar lichaam haar in de steek laat en dat zij gek zou worden. De contact-figuren houden haar vast en benoemen hoe bang zij is. Zij geven de boodschap dat zij niet door angst overmand hoeft te worden en dat controle over haar emoties mogelijk is. Door angst lichamelijk te beleven in een beschermende, gecontroleerde setting kan zij deze als een waarachtig bestaand deel van zichzelf aanvaarden. Zij kan merken dat angst afvloeit juist door er de tijd voor te nemen.
De therapeut hernieuwt nu met de cliënte de afspraak dat zij er voor zal zorgen dat zij niets laat gebeuren waar zij niet aan toe is.
2. De behoefte aan veiligheid en bescherming
Omdat bescherming destijds heeft ontbroken, hebben slachtoffers van seksueel misbruik een grote behoefte aan veiligheid. Als volgende stap in dezelfde structure stelt de therapeut haar voor dat de contactfiguren nu de rol van beschermers op zich nemen. Met deze rolfiguren kan zij op symbolische wijze de veiligheid ervaren die vroeger heeft ontbroken.
Op haar verzoek slaan de beschermende figuren hun armen om haar rug en schouders en zeggen: 'Wij zouden ervoor gezorgd hebben dat jou nooit zoiets zou zijn aangedaan.'
Het door haar zelf gevraagde lichamelijk contact helpt haar zich nu veilig genoeg te voelen waardoor zij de angst verder kan toelaten. Zij trilt over haar hele lichaam. Dan schiet met een ruk haar hoofd naar achteren, zij grijpt met haar hand naar haar verkrampte nek. 'Wat gebeurt er?' vraagt zij paniekerig. De therapeut houdt haar de mogelijke verklaring voor dat de kramp een lichamelijke reactie kan zijn op het gevoel van extreme weerloosheid. Het aanspannen van de nekspieren is als het ware een reflex om zich tegen een te grote openheid en kwetsbaarheid te beschermen. De therapeut vraagt of zij de nekspieren nog verder kan aanspannen en daarbij al haar kracht zou willen gebruiken. Eén van de beschermende figuren wordt gevraagd de handen rond de achterkant van haar hoofd te leggen en lichte tegendruk te geven, zodat zij in iedere gewenste richting kan bewegen, terwijl lichte weerstand als aanmoediging werkt om kracht te blijven zetten. Twee andere groepsleden komen in de rol van uitbreiding van de beschermende figuren om hen extra steun te geven. De therapeut vraagt of de beschermende figuren nu kunnen zeggen: 'We kunnen merken hoe sterk je bent.' Dat spreekt haar aan en zij duwt haar hoofd en schouders met veel kracht naar achteren tegen de handen van de beschermende figuren. Zij voelt de kracht die uit de gespannen nekspieren en schouders vrij komt. 'Ik wist niet dat ik zoveel kracht kon zetten, dat heb ik heel lang niet meer gedaan.' De getuigefiguur zegt met haar instemming: 'Ik zie hoe verwonderd je bent over je eigen kracht'.
Na even op adem te zijn gekomen zegt zij dat zij nu merkt hoe gespannen haar buik en dijbenen zijn. Met haar toestemming leggen de beschermende figuren de handen op haar heupen. Dijen en bekken beginnen te schokken. Met enige aarzeling vraagt zij de rolfiguren om haar steviger vast te houden.
De plotselinge kramp in de nek komt opzetten als zij, geholpen door de rolfiguren, angst en kwetsbaarheid durft te ervaren. Een dergelijke kramp treedt vaak op als fysieke reactie op een te grote psychische en lichamelijke kwetsbaarheid; het is alsof het lichaam een beschermend schild probeert te vormen of een krachtige tegenaanval voorbereidt. De fysieke weerstand en meegaande beweging van de handen van de beschermende figuren zorgen dat de kracht niet wordt onderdrukt, maar veilig in volle omvang kan worden uitgeoefend.
In dit verband wil ik benadrukken dat de hulp die de andere groepsleden bieden ondenkbaar zou zijn zonder eerst een adequate training in een oefeningengroep. Bovenbeschreven lichamelijk contact bieden vraagt een grote inzet van de deelnemers. Zij moeten als team vooraf voldoende getraind zijn onder meer aan de hand van accommodatie- en 'limiteringsoefeningen' (Perquin 2000).
Het vertrouwen dat bescherming mogelijk is, is bij slachtoffers van seksueel misbruik geschonden. Daarmee is ook het zelfvertrouwen en het geloof in het vermogen tot zelfbescherming ondermijnd. Vooral wanneer het gaat om misbruik door één van de ouders speelt dit een grote rol. Vader had bescherming en veiligheid moeten bieden in plaats van bedreigend te zijn en de grenzen van de lichamelijke integriteit te overschrijden. Tevens voelde het kind zich onbeschermd en in de steek gelaten door moeder, die had moeten weten wat er gebeurde en dit had moeten voorkomen. Het fysiek en symbolisch ervaren van bescherming helpt haar om in contact te komen met de eigen kracht, die wordt erkend door de handen en de woorden van de rolfiguren. Zo wordt een begin gemaakt met het herwinnen van zelfvertrouwen en kan vervolgens het zich open stellen en kwetsbaar durven zijn, hetgeen tot nog toe angstvallig werd vermeden, meer bewust worden beleefd, geuit en eigen gemaakt.
3. Schuld, schaamte en de neiging tot zelfbestraffing
Gevoelens van schuld en schaamte en de neiging om zichzelf te straffen, kunnen gezien worden als falende pogingen van het ego om een verstoord innerlijk evenwicht te herstellen, waar andere maatregelen te kort schieten. Wanneer de cliënt voldoende mogelijkheden kent om innerlijke impulsen en krachten in balans te houden, is een drastische maatregel als zelfbestraffing niet nodig. Sterke gevoelens van schuld en schaamte zijn een blijk van onderliggende heftige agressieve impulsen en almachtsfantasieën die niet onder controle van het ego staan. Slachtoffers van seksueel misbruik voelen zich vaak schuldig over de heftige woede op de dader en op die mensen die bescherming hadden moeten bieden. Het schuldgevoel heeft als functie de macht 'aan zich' te houden: 'Het is mijn schuld, ik heb het gedaan - die macht had ik'. De als gevaarlijk beleefde agressie hoeft aldus niet naar buiten te komen. Als kind was het uiten van woede onmogelijk, uit angst voor wraak van de dader of uit angst de pseudo-bescherming die de dader bood te verliezen. De woede wordt niet op de ander, maar op het eigen lichaam gericht. De cliënte is er soms van overtuigd dat zij een almachtige, verleidende kracht bezit, waaraan de dader destijds geen weerstand kon bieden. Zij meent ten onrechte dat zij met deze verleidende kracht de veroorzaker is van het misbruik, dat zij de schuldige is, dat zij zich over deze vermeende onweerstaanbare aantrekkingskracht moet schamen en straf verdient. 'Als ik niet zo was, zou het nooit zijn gebeurd.' Zichzelf straffen is een poging om zowel de innerlijke spanning als gevolg van de verboden agressie te ontladen als de gefantaseerde beschamende openheid te stoppen. In de daad van fysieke zelfbeschadiging wordt de cliënte als het ware dader en slachtoffer tegelijk. Als dader herhaalt zij de oorspronkelijke mishandeling en straft en beschadigt haar eigen lichaam. Zij heeft nu echter zelf het initiatief en kan de fantasie koesteren dat zij ook destijds zelf het initiatief heeft gehad. In de rol van slachtoffer leeft zij haar kwetsbaarheid uit, straft deze af en krijgt deze openheid tot op zekere hoogte onder controle.
In de hierboven beschreven therapiesessie wordt de cliënte met haar instemming door vier groepsleden in de rol van beschermende figuren vastgehouden. Haar bovenbenen en bekken beginnen nu te trillen en plotseling slaat ze zichzelf hard met de vlakke hand op de binnenkant van haar dij. De therapeut wijst haar erop dat zij zichzelf zou kunnen bezeren. Met haar instemming houden de beschermende figuren haar bij de handen en polsen vast. Nu stelt de therapeut haar voor een groepslid in de rol van een beschuldigende stem te kiezen. Zij laat deze zeggen: 'Jij hebt het zelf laten gebeuren'. Als in een flits richt zij nu de vuisten op haar gezicht, kennelijk met het doel zich te bezeren. Het lijkt alsof zij zichzelf in een aanval van zelfhaat, schuld en schaamte wil straffen. De beschermende figuren zeggen: 'We laten niet toe dat je jezelf bezeert.' Zij nemen nu de rol op zich van begrenzende figuren die de woede die zij op zichzelf richt kunnen hanteren. Wanneer zij klaar zitten om haar bij de armen tegen te houden, komen gevoelens van opgekropte zelfhaat en afkeer boven. De getuigefiguur zegt: 'Ik zie hoe sterk je gevoelens van afkeer zijn, als je denkt dat je het zelf hebt laten gebeuren'. Er ontstaat een hevig gevecht. Wat zij ook probeert, het lukt haar niet zichzelf met de vuisten te raken. Dan zegt zij buiten adem dat het tot haar verbazing een grote opluchting is dat zij deze impuls van zelfhaat kan uiten, nu zij lichamelijk wordt tegengehouden en zichzelf niet kan bezeren. Eindelijk zijn er mensen die niet toestaan dat zij zichzelf pijn doet. Met haar instemming bevestigt de getuigefiguur: 'Ik zie hoe verbaast en opgelucht je je voelt wanneer je je voorstelt hoe zij destijds grenzen hadden gesteld aan jouw zelfhaat'.
In deze tiende bijeenkomst, haar derde individuele therapiesessie in de groep, ervaart de cliënte voldoende veiligheid en bescherming om angst toe te laten zonder dat deze haar overspoelt. Zij heeft aan den lijve gemerkt dat respectvol lichamelijk contact bestaat en dat zij haar kracht zonder risico's naar buiten kan brengen. Ook heeft zij ervaren dat onder haar schaamte en schuldgevoel heftige woede schuil gaat. Op haar werk is zij kwaad uitgevallen naar een collega die steeds te hoge eisen aan haar stelt. Zij is van zichzelf geschrokken, maar was later toch ook opgelucht. De hierop volgende drie weken wordt zij een aantal keren in de structures van andere groepsleden in positieve rollen gevraagd. Een maand later, tijdens haar vierde therapiesessie durft ze een stap verder te gaan.
4. De expressie van openheid en ontvankelijkheid
Het fysieke en psychologische overwicht van de dader heeft als gevolg dat overgave aan het misbruik vaak de enige redding is. Soms gaat het om een weloverwogen beslissing zich te onderwerpen. Het slachtoffer beseft in dat geval dat de natuurlijke reactie zich te verzetten en zich met hand en tand te verdedigen levensgevaarlijk kan zijn. Het recht om in overeenstemming met haar eigen gevoelens en haar lichamelijke behoeften te reageren is haar met deze dwang tot overgave afgenomen. Zich moeten onderwerpen, tot openheid gedwongen worden, is buiten haar eigen wil omgegaan. Het ego had er geen controle over, de ervaring kon niet worden geïntegreerd, hetgeen de openheid een kwaliteit van onbegrensdheid heeft gegeven. Ook na het misbruik kan dit zich uiten als een reflexmatige geneigdheid tot openheid, een onbewuste bereidheid om agressie toe te laten, hetgeen gepaard kan gaan met verwarrende gevoelens van angst en soms ook opwinding. Het is een van de onderschatte gevolgen van seksueel misbruik, een complexe reactie, die tegennatuurlijk lijkt. De cliënt heeft er immers alles aan gedaan om het misbruik te stoppen of als dat onmogelijk was, het niet tot haar beleving te laten doordringen. Nog steeds probeert zij zich te beschermen tegen elke vorm van ongewenste aanraking. Wanneer de dader destijds geprobeerd heeft haar seksueel te prikkelen, in een poging haar als het ware medeplichtig te maken, heeft haar lichaam ongewild op de seksuele prikkeling gereageerd. Dit is met name het geval wanneer zij als klein meisje seksueel werd gestimuleerd zonder dat haar lichamelijk pijn werd gedaan. Later, soms pas op volwassen leeftijd, is zij zich bewust geworden dat de dader de grenzen van haar fysieke integriteit ver heeft overschreden. Zij heeft een vaag besef dat haar lichaam haar op een irrationele manier in de steek kan laten, doordat het onverwacht gehoor kan geven aan sterke erotische en seksuele gevoelens, die niet onder controle van het ego staan.
Wanneer met dit aspect van seksueel misbruik wordt gewerkt, moet de therapeut eerst duidelijk uitleg geven wat met het begrip openheid bedoeld wordt. Uit deze 'educatieve interventie' moet vooral naar voren komen dat het misbruik de natuurlijke reflexmatige neiging om het lichaam af te sluiten, maar ook open te stellen, heeft versterkt. De uitleg zal met inlevingsvermogen en met erkenning van de schadelijke gevolgen van het misbruik moeten worden gegeven. Uitdrukkelijk moet voorkómen worden dat de cliënte de interventie ervaart als een aanval of als een bevestiging van wat zij zelf al jaren denkt: dat zij zich uit eigen vrije wil aan het misbruik zou hebben onderworpen, dat zij schuldig zou zijn, dat zij erom gevraagd zou hebben of dat zij het 'eigenlijk best graag wilde' en dat zíj zich ervoor moet schamen.
Tijdens de vierde sessie, de veertiende bijeenkomst van de groep, zit zij op de grond, haar knieën opgetrokken, de armen om de benen geslagen, het hoofd voorover gebogen. Terwijl zij vertelt hoe haar vader 's avonds bij haar bed kwam staan, omvat zij haar benen steviger. Haar dijbenen beginnen te trillen. De therapeut vraagt op welke andere plaatsen in haar lichaam zij ook nog spanning voelt. 'Onder in mijn rug doet het pijn.' 'Zoals je zit lijkt het alsof je jezelf zou willen beschermen, of je je lichaam gesloten wilt houden door met je armen stevig je benen te omvatten.' Zij knikt. 'Maar het is ook alsof ik tegelijkertijd mijn benen van elkaar zou willen doen.'
De therapeut legt haar voor: 'Het seksuele contact, dat buiten jouw wil om is afgedwongen, heeft het vermogen om jezelf te beschermen en van de ander af te grenzen ondermijnd. Lichamelijk beschikbaar zijn is je afgedwongen, je hebt er niet vrijwillig voor gekozen, je had er geen controle over. Dat heeft de neiging om je lichaam open te stellen versterkt, terwijl het het laatste is wat je eigenlijk wil. We kunnen je helpen om op een veilige manier te ervaren dat je je kwetsbaar en lichamelijk open kan en mag opstellen terwijl je vanbuiten af wordt beschermd.' De therapeut stelt voor dat twee vrouwelijke deelnemers van de groep de rol van beschermende-begrenzende figuren op zich nemen die haar knieën stevig bij elkaar houden. Zij moeten ervoor zorgen dat, wat er ook gebeurt, de cliënte haar benen niet van elkaar krijgt. De therapeut legt uit dat het met kracht proberen de benen uiteen te brengen als lichaamsmetafoor geldt. Zij kan haar natuurlijke wens om zich onbevangen open te stellen uitproberen, zonder dat iemand daar misbruik van maakt. De therapeut gaat na of de cliënte de bedoeling van de interventie begrijpt. Zij geeft te kennen dat zij verder wil gaan en vraagt de helpers haar stevig bij de knieën vast te houden. 'Mijn voorstel is om nu te proberen met alle kracht je benen te spreiden, zodat je kunt ervaren dat deze helpers je werkelijk niet met die openheid alleen laten. Zou je dat willen uitproberen?'
Uit alle macht probeert zij nu haar benen van elkaar te krijgen, maar met nog grotere kracht houden de accommodators haar benen bijeen. Er ontstaat een hevig gevecht. De begrenzende figuren zeggen in hun rol, zoals ouders tegen een kind: 'Je mag zo open en ontvankelijk zijn als je wilt, wij laten niet toe dat iemand daar misbruik van maakt. Wij helpen je erbij dat je niet door die gevoelens overspoeld wordt. En wij helpen je om ze te hanteren.' De aanwezige begrenzende figuren houden haar knieën bijeen en geven tegendruk bij haar heupen. Het lijkt of een wilde, primitieve oerkracht haar ertoe dwingt haar benen te openen. Nu gilt zij. Het is geen schreeuwen van pijn of angst, maar een hoog snijdend, woedend gillen. Dan roept zij: 'Laat me los!' De therapeut vraagt of zij echt losgelaten wil worden. 'Nee, juist niet, ik wil schreeuwen terwijl ik vecht, maar houd me juist goed vast.'
Het is belangrijk voor haar te ervaren dat zij, terwijl zij niets liever wil dan beschermd worden en zich het liefste afsluit om te voorkomen nogmaals misbruikt te worden, merkt dat een archaïsch, oncontroleerbaar deel van haar zelf op een totaal tegengestelde manier wil reageren. Op het moment dat de externe figuren het bijeenhouden van haar benen op zich nemen, kan de cliënte al haar aandacht richten op de impuls om haar benen van elkaar te brengen. Zij hoeft haar lichaam niet meer krampachtig gesloten te houden. De beschermende-begrenzende figuren die haar vasthouden en ervoor zorgen dat haar openheid door fysiek contact wordt omvat, dienen als 'helpers van het ego'. Zij heeft hen hiertoe immers zelf de opdracht gegeven. Het vastgehouden worden gebeurt letterlijk fysiek en heeft als ritueel symbolische betekenis. Zij kan de wens om beschermd te worden in zich opnemen als een authentiek recht. 'Ik mag toegeven aan mijn openheid, ik mag dat verlangen hebben. Dat betekent niet dat ik me moet onderwerpen aan wat een ander van mij wil.' Tezamen met de bewuste beslissing en de expliciete behoefte aan gesloten zijn, nu gedelegeerd aan de begrenzende figuren, slaagt zij erin om zich de deels onbewuste neiging tot onbegrensde openheid toe te eigenen en onder controle te krijgen.
Aan het einde van de sessie voelt ze zich lichamelijk ontspannen. Maar ook merkt zij dat zij uit schaamte de groepsleden maar nauwelijks durft aan te kijken. Wanneer deze in de nabespreking gevoelens van herkenning en bewondering voor haar kracht onder woorden brengen, wordt het wat makkelijker voor haar. Een van de rolspelers meldt hoe zij al haar kracht moest inzetten: 'Ik had niet verwacht dat ik zó hard moest werken'. De cliënte glimlacht verlegen maar ook opgelucht.
5. De expressie van agressie
Tijdens haar zesde individuele therapiesessie, de 23e wekelijkse bijeenkomst van de groep, vertelt zij dat ze geschrokken is van een agressieve droom over haar vader. Zij dwong hem tot seksueel contact en stak hem daarna met een mes in de rug. Kennelijk voelt zij zich veilig genoeg om dit in de groep te vertellen. De verborgen wens om terug te doen wat haar is aangedaan, om wraak te nemen, kan hiermee aan bod komen. Dit gaat haar niet gemakkelijk af. Vaak heeft ze haar vader voor zichzelf afgeschilderd als een niet-menselijk wezen, een bruut, een monster. De gedachte dat zij zelf ook maar iets van dergelijke sadistische impulsen of fantasieën in zich zou hebben, vervult haar met afschuw.
Niet alleen dromen, ook lichamelijke signalen kunnen een aanwijzing zijn dat gevoelens van agressie en haat meer aan bod komen. Spanning in de benen of aanvallen van kramp in de kuiten 's nachts kunnen een aanknopingspunt zijn. Het kan gaan om heftige, zich lichamelijk uitende, sadistische impulsen die geassocieerd kunnen zijn met eigenschappen van de agressor, die onbewust door de cliënt zijn geïntrojecteerd, dat wil zeggen onbewust en ongeselecteerd in haar lichaamsschema zijn opgenomen.
Zij zegt dat, terwijl ze de droom vertelde, haar kuiten zijn gaan tintelen. De therapeut exploreert met haar de relatie tussen deze lichamelijke sensatie en haar vernietigende haat. 'Zou je willen proberen hoe het is om met je voet op een stevig kussen te trappen?' Zonder lang nadenken staat zij op en probeert het. Na twee keer aarzelt zij. 'Ik zou eigenlijk verder willen gaan, maar ik voel me zo razend worden. Ik ben bang dat ik mezelf niet meer in de hand heb als ik door ga.'
De therapeut stemt ermee in dat zij zich dan inderdaad zou kunnen bezeren. Zij knikt. 'Nu je je woede laat zien, komt kennelijk de neiging terug jezelf te straffen.' De therapeut stelt voor twee helpers haar onderbeen te laten vasthouden. Zij zorgen ervoor dat terwijl zij rechtop staat en trapt, haar voet midden op het kussen terechtkomt. Deze helpers komen in de rol van figuren die toestemming geven. Ze zeggen: 'We accepteren en waarderen dat je zulke wraakzuchtige, sadistische gevoelens hebt. We geven je toestemming en helpen je deze te uiten, zonder dat je jezelf of een ander letterlijk bezeert'. Door de lichamelijke begrenzing en de woorden van de rolfiguren wordt onderstreept dat het om een symbolische daad gaat. Feitelijk, letterlijk uiten van primitieve woede op haar eigen vader is niet toegestaan, is de implicatie. Deze boodschap stelt haar gerust, waardoor zij op een symbolische manier uiting aan haar opgekropte haatgevoelens kan geven. Zij kiest een mannelijk groepslid in de rol van 'negatieve kant van vader'. Dit is niet de 'gehele vader' zoals hij was, maar slechts de representant van de negatieve eigenschappen van de reële vader. Deze rolfiguur heeft als functie de woede te incasseren door te reageren alsof hij letterlijk door de cliënte wordt geraakt. Zij kan in het rollenspel - de negatieve accommodatie - zien dat haar actie effect heeft. Zij vraagt de negatieve vaderfiguur op een afstand van twee meter te gaan staan. Wanneer zij opnieuw op het kussen trapt, kreunt hij, grijpt met een van pijn vertrokken gezicht naar zijn maagstreek, valt op de grond en blijft daar tenslotte met afgewend gelaat liggen. Zo neemt zij symbolisch wraak, geeft uiting aan haar woede en ervaart dat haar emoties op een veilige manier doel treffen.
6. Het uiten van gevoelens van verdriet om wat verloren is gegaan
In de tweede helft van deze sessie herinnert zij zich hoe zij als klein meisje van haar vader hield en hoe hij haar idool was. Zij kon niet verdragen dat zijn daden in een kwaad daglicht zouden worden gesteld.
Zij wordt intens verdrietig. De getuigefiguur erkent dit: 'Ik zie wat een verdriet het je doet te beseffen dat je je vader als idool hebt moeten opgeven'. Zij herinnert zich hoe hulpeloos en verward zij was vanaf de dag dat hij haar voor het eerst seksueel benaderde. Meer dan daarvoor voelde zij zich afhankelijk van zijn liefde. Tegen elke prijs wilde zij ervoor zorgen dat zij op zijn genegenheid kon rekenen. Zij probeerde zichzelf weg te cijferen, zich te onderwerpen aan zijn wil. Al zijn wensen probeerde zij te raden en te vervullen, om hem vooral niet te hoeven teleurstellen en verliezen. Zij kon als kind maar niet begrijpen waarom hij haar pijn deed. Waarom mocht zij het tegen niemand zeggen? Waarom had hij zich tenslotte zo plotseling op haar tiende van haar afgekeerd? Zij voelt nu spanning in haar borst en haar keel doet pijn. De therapeut vraagt haar om de spieren rond de pijnlijke plaatsen aan te spannen en te kijken wat voor emotie, geluid of beweging er komt. Zij begint heftig te huilen. Nu is het belangrijk dat zij niet met het verdriet alleen blijft. Wanneer zij huilt en de pijn doormaakt zonder betrouwbaar lichamelijk contact te ervaren, zal zij zich ertegen verzetten en er opnieuw van overtuigd raken dat haar emoties zo overweldigend zijn dat haar lichaam deze niet kan verdragen. Om zich daartegen te beschermen zal zij zich lichamelijk onwillekeurig schrap zetten. Zij zal proberen te voorkomen dat haar lichaam als het ware 'explodeert' want zij is ervan overtuigd dat dit zou gebeuren door de kracht die haar zo lang onderdrukte gevoelens hebben gekregen. Zij heeft nu steun en acceptatie van buitenaf nodig. Op haar verzoek leggen andere rolspelers hun handen stevig tegen haar buik, haar schouders en haar borstbeen. Nu huilt zij, heftig schokkend met het geluid van een klein verlaten meisje. Na enige tijd komt zij tot rust.
Het gaat hier om lichamelijk contact in een context waarin zij zich veilig kan voelen om de heftigheid van haar emoties te doorstaan. Lichte druk van handen tegen de schouders en het borstbeen, helpt om de betreffende spieren te doen ontspannen. Door de druk van buitenaf wordt de spierspanning van de antagonistische spieren als het ware overgenomen. De agonisten die betrokken zijn bij de bewegingen en geluiden van het huilen kunnen nu vrijelijk bewegen. Het lichamelijk contact biedt dus behalve fysieke tegendruk ook acceptatie en psychologische steun en heeft dus als functie het ego symbolisch te versterken. Immers, door bewust contactfiguren in een rol te kiezen en zelf aanwijzingen te geven over de plaats en de druk die door de handen geboden wordt, kan zij deze acceptatie van haar emoties door mensen van buitenaf als een nieuw alternatief integreren. Daarmee neemt als het ware de toestemming die zij zichzelf geeft toe.
7. De wens om uiting te geven aan gevoelens van genegenheid
Nu neemt zij de tijd om te ervaren wat er in haar omgaat. Zij merkt op dat de kamer er anders, lichter uitziet. Haar lichaam voelt zachter en minder gespannen aan.
Haar blik gaat in de richting waar eerst de negatieve vader stond. De herinnering aan haar reële vader komt terug en zij beseft hoezeer zij op hem gesteld was. Gevoelens van genegenheid komen boven. Zij begint opnieuw te huilen. Terwijl zij vertelt hoeveel bewondering zij vroeger voor hem had, aait zij onwillekeurig met haar hand over de vloer voor zich. De therapeut vraagt of zij één van de groepsleden in de rol van de geliefde kant van haar reële vader wil kiezen.
Deze rolfiguur heeft de functie haar genegenheid slechts te ontvangen zonder iets terug te doen en is geheel losgekoppeld van de negatieve vader. Als zij opnieuw woede zou voelen kan zij die nu richten op de figuur in de rol van negatieve vader. De polarisatie in twee verschillende rolfiguren helpt haar nu eenduidig aandacht te besteden aan de tot nu toe verborgen gebleven tedere gevoelens voor de positieve kant van de vader van vroeger. Alsnog kan zij de genegenheid voor hem ervaren met de expressie van het meisje van toen. Zij kan dit nu doen zonder overspoeld te worden door angst voor of woede op de agressor die hij ook is geweest.
In de rol van positieve kant van haar reële vader kiest zij nu een mannelijke deelnemer en vraagt hem dichterbij te komen zitten. Als ze hem aankijkt, beginnen haar handen te trillen. De therapeut doet het voorstel dat zij zich bij haar handen laat vasthouden door de contactfiguren. Deze helpen haar nu om haar kwetsbaarheid te vertrouwen. Het is belangrijk dat zij niet bevriest, maar in beweging kan blijven, wanneer zij genegenheid voor haar vader voelt en kan uiten. Hun aanwezigheid stelt haar gerust. Zonder de contact-figuren zou deze tederheid haar kunnen overspoelen, waarop zij zou reageren met zich onmiddellijk van dit gevoel af te splitsen. Terwijl de contactfiguren haar vasthouden zeggen zij: 'We kunnen je helpen te ervaren en te uiten hoeveel je om die positieve kant van je vader geeft'. Als de cliënte hem wil aanraken, wordt zij bang voor de kracht van haar gevoelens. Aan de contactfiguren wordt gevraagd haar polsen vast te houden, terwijl ze haar handen naar zijn gezicht uitstrekt. Ze oefenen lichte tegendruk uit, zodat de beweging enigszins wordt afgeremd.
Deze tegendruk van buitenaf zorgt ervoor dat zij niet verlamd raakt door haar onmetelijk verlangen hem aan te raken. Zij weet dat zij met de hulp van de contactfiguren niet 'te ver zal gaan'. Zij hebben als het ware de functie haar toestemming te geven haar sterke gevoel van genegenheid uit te drukken, zonder dat zij door haar emoties wordt overspoeld. Het is een ontroerend moment, want nu kan zij ook iets van de diep verborgen gevoelens van genegenheid die zij als kind voor haar vader had tot uitdrukking brengen. Met tranen over de wangen streelt zij het voorhoofd van de positieve vader. Zij sluit deze sessie af met het besef dat haar reële vader, ondanks alles, ook positieve eigenschappen had, dat zij daarvan als kind heeft kunnen genieten, dat zij deze herinneringen kan koesteren en zich deze als ware gebeurtenissen weer eigen kan maken.
Niet elke cliënt voelt voor deze stap. De razernij, minachting en walging kunnen zo sterk zijn dat positieve herinneringen overschaduwd zijn. Soms zijn er gewoon geen positieve gevoelens en is er geen loyaliteit (Trügg 2000). Toch kan het verlangen om van een vader te houden voortleven, als een wens die is blijven bestaan, hoe weerzinwekkend het gedrag van de reële vader ook was. De cliënt zou 'de vader' of eigelijk de vaderfiguur, 'de archetypische vader' alsnog iets goeds willen geven. Dit kan het beste bij een ideale vader tot zijn recht komen. Deze kan ontvangen wat de cliënt destijds niet aan de reële vader durfde, kon of wilde geven (Cuppen 2000).
8. De behoefte aan een helend, respectvol contact met een persoon die dezelfde positie heeft als de oorspronkelijke dader
Al eerder werd aangegeven dat seksueel misbruik, en vooral incest, een diepe schending van het vertrouwen van het kind in haar of zijn ouders betekent. Een welhaast onmisbare therapeutische ervaring voor een slachtoffer van seksueel misbruik is het stap voor stap opbouwen en alsnog integreren van ouderbeelden die aansluiten bij de behoeften van het kind van vroeger. In bovenbeschreven therapiesessies zijn een aantal aspecten van goede ouders reeds aan bod gekomen. Groepsleden in de rol van beschermende, steunende, troostende en begrenzende figuren hebben de cliënte laten ervaren dat veilig, respectvol contact mogelijk is. Ook heeft zij in de sessies ('structures') gemerkt dat niets buiten haar wil om hoeft te gebeuren en dat heftige emoties die zij als verboden zag worden geaccepteerd. Kortom: zij heeft met een aantal basale eigenschappen van goed ouderschap kennis gemaakt. In Pesso-psychotherapie worden deze rolfiguren 'ideale ouders' genoemd. Dit zijn ouders die nooit bestaan hebben en ook nooit zullen bestaan. Het zijn archetypische figuren die worden ingezet om de cliënte een nauwkeurig model te laten construeren van wat voor haar als kind ideaal geweest zou zijn. Het is opvallend hoe goed de meeste cliënten, geconfronteerd met deze mogelijkheid, ideale ouders weten te creëren. Het lukt hen om tot in de finesses concreet invulling aan deze rollen te geven. Hoe de rolspelers moeten zitten, kijken, wat zij moeten zeggen en hoe zij lichamelijk contact moeten bieden, wordt precies door hen aangeduid. Ieder heeft blijkbaar weet van zijn of haar oorspronkelijke behoeften en verlangens en welke interactie met een ouderfiguur bij die behoeften aansluit (Sarolea 1986). De functie van ideale ouders in Pesso-psychotherapie is de cliënt alsnog de gelegenheid te geven om op het bewustzijnsniveau van het kind van destijds het juiste antwoord te ontvangen op het vele dat niet werd erkend en niet werd vervuld. Dit kan de cliënt helpen om visuele, auditieve en lichamelijke herinnerings-schema's van ouders op te bouwen en te integreren, zo dat deze aansluiten bij wat het kind destijds nodig had. De belevingswereld wordt verrijkt met nieuwe ervaringen, bevredigende interacties die tegengesteld zijn aan hoe het vroeger was: ondanks alles blijkt een alternatief mogelijk voor de pijnlijke gebeurtenissen in het verleden. Dit mee te kunnen maken in het contact met gewone mensen, groepsleden in een rol die tijdelijk ideale ouders representeren, ondersteunt het geloof dat er goede ouders zouden kunnen bestaan. Zonder de oude percepties en affecten te ontkennen, wordt de herinnering herschreven in een nieuwe context (van Attekum 1997). De cliënt kan zich dit alternatief nu zowel verbaal als non-verbaal eigen maken, bouwt een positiever beeld van zichzelf en anderen op en kan meer bevredigende ervaringen in het actuele leven toelaten. Hoe verrijkend de interactie met ideale ouders uiteindelijk ook mag zijn, het proces van zoeken naar het juiste contact met hen vraagt moed van de cliënt en grote nauwkeurigheid van de therapeut.
De cliënte kiest twee groepsleden, een man en een vrouw, die de rol van ideale vader en ideale moeder op zich nemen. Zij instrueert hen dicht naast elkaar te zitten, in tegenstelling tot vroeger toen de ouders ruzie maakten of elkaar negeerden. 'Ik durf me niet voor te stellen dat zij wel van elkaar houden.' De therapeut doet haar het voorstel een groepslid te kiezen in de rol van een 'waarschuwende stem' die zegt: 'Reken er maar niet op dat ouders echt van elkaar houden'. 'Wat gebeurt er als je dat hoort' vraagt de therapeut. 'Mijn keel gaat dicht zitten'. De therapeut suggereert: 'Kijk eens wat er komt als je je stem gebruikt'. In de richting van de waarschuwende figuur roept de cliënt verbolgen: 'Hou je erbuiten'. De waarschuwende figuur accommodeert door te kreunen en in elkaar te krimpen. Verbaast kijkt zij naar het effect en dan naar de ideale ouderfiguren. De therapeut vraagt of zij bereid is na te gaan hoe intimiteit tussen de ouders eruit zou kunnen zien. De cliënte vraagt of zij mag zien hoe de ideale ouders elkaar omarmen en elkaar aankijken. Haar gezicht klaart iets op. 'Ik heb mijn echte ouders nooit zo dicht bij elkaar gezien.' Het ontroert haar zich voor te stellen dat deze 'nieuwe' ouders zo dichtbij elkaar kunnen zijn. Zij heeft zichzelf nooit gezien als iemand die ouders verdient die om elkaar geven.
De therapeut vraagt of de ouders kunnen zeggen: 'Je hebt er recht op te merken dat we om jou geven .' Zij verstart. 'Dan komt meteen bij me op dat ik het mijn vader naar de zin moet maken.' Dit appèl dat verwijst naar de reële vader van destijds wordt nu vorm gegeven door de deelnemer die de negatieve kant van haar vader speelt, een wenkend gebaar te laten maken.
De therapeut vraagt of zij de oude neiging om vaders wensen in te willigen, lichamelijk vorm kan geven. 'Het is belachelijk, maar ik zou zo op handen en voeten naar de negatieve vader toe kunnen kruipen'. Met haar instemming houdt de ideale moeder haar tegen door haar stevig om haar middel vast te houden. De therapeut vraagt hoe het voor haar zou zijn als de ideale vader zou zeggen: 'Ik zorg ervoor dat je het bij mij naar de zin hebt, maar ik doe geen erotisch of seksueel appel op jou. Seksueel contact heb ik alleen met je moeder.' Wanneer de ideale vader dit uitspreekt voelt zij opluchting. 'Als het zó was geweest, had ik me echt vrij kunnen voelen.' Daarna kijkt zij naar de moederfiguur. 'Ik kan me niet voorstellen dat zij die man iets te bieden heeft.' De therapeut vraagt: 'Zou je willen ervaren dat deze moeder niet van haar plaats is weg te krijgen, dat zij nooit zou toelaten dat jij haar plaats inneemt?' Zij voelt zich uitgedaagd, nadat de moederfiguur heeft gezegd: 'Wat je ook probeert, het zal je niet lukken je vader op mij te veroveren'. Met veel kracht probeert zij nu de ouders, die elkaar stevig vasthouden, uit elkaar te krijgen door tegen hun schouders te duwen. 'Je mag dat wensen, je mag proberen vader voor je alleen te hebben, maar ik blijf bij hem', bevestigt de moederfiguur. Na een aantal minuten fysieke inspanning waarbij zij zoals een kind dat zou doen alle trucs uitprobeert, raakt zij overtuigd. 'Ik dacht echt even dat het me zou lukken ze uit elkaar te trekken. Me voorstellen dat er ouders kunnen zijn die er moeite voor doen bij elkaar te blijven, dat is heel nieuw. Het lucht me geweldig op dat het me niet lukt om hen te scheiden.'
Na deze therapiesessie maakt zij een periode door met depressieve gevoelens. Geleidelijk wordt zij zich meer bewust van hetgeen zij bij haar ouders heeft gemist. Zij rouwt over de mislukte relatie met haar partner, zij ontdekt hoezeer de keus voor deze veel oudere, zachte man een poging was tot 'repairing the past'. In een volgende sessie weigert zij ideale ouders in een rol te kiezen. 'Ze bestaan toch niet.' Haar sombere kijk op de wereld en zichzelf wordt nu, na een jaar deelname aan de groep, tijdens de achtste en negende individuele therapiesessie vorm gegeven door middel van 'de stem van haar waarheid', die uitspraken doet als: 'Je kunt uiteindelijk toch niemand vertrouwen'. Een andere belangrijke interne boodschap wordt door iemand in de rol van een 'beschuldigende figuur' neergezet: 'Het ligt aan jou, je doet je best niet'. Tijdens de tiende individuele sessie herkent zij het verband tussen de beschuldigende stem en de verwijten van moeder in haar richting toen de incest met vader aan het licht kwam. Zij durft nu woede te uiten naar de negatieve moeder die haar niet tegen vader heeft beschermd maar haar juist heeft laten vallen en beschuldigd.
Geleidelijk krijgt zij in een aantal opeenvolgende groepsbijeenkomsten meer vertrouwen in het idee dat respectvolle ouders zouden kunnen bestaan, ook doordat andere deelnemers haar regelmatig in de rol van ideale moeder gaan kiezen. Zij kan na een jaar deelname in de groep in een 'structure' als een klein meisje tegen de ideale moeder aankruipen. Zij kan zich voorstellen hoe het zou zijn geweest een moeder te hebben gehad 'die echt voor me had gezorgd'. Voor het eerst kan zij ervaren hoe het is om bemind en beschermd te worden door een moeder die gewoon een moeder is en niet ook de concurrente om de liefde van vader.
Slot
De belangrijkste elementen van het therapeutisch proces van deze cliënte in een Pesso-psychotherapiegroep zijn hiermee besproken. In het daarop volgen-de jaar, tijdens voortzetting van de therapie komen verschillende aspecten op-nieuw aan bod en komen nieuwe details naar voren. Het is een taai proces, waarin zij wel eens wanhoopt of 'het ooit nog goed zal komen'. De therapeut zal haar regelmatig laten weten dat het om een verwonding gaat die zij altijd met zich mee zal dragen, maar dat zij wel bezig is te leren ermee om te gaan. Geleidelijk wint zij aan zelfvertrouwen, haar stemming wordt stabieler en zij laat zich minder snel op het werk intimideren. Haar voorkomen maakt een steviger indruk, zij kijkt rustiger en meer zelfverzekerd uit haar ogen. Voorzichtig gaat zij een nieuwe relatie aan met een man van haar leeftijd.
In het dagelijks leven zal zij bij herhaling opnieuw met situaties geconfronteerd worden die de vroegere gebeurtenissen en haar oude reacties oproepen. Elke keer is terugval mogelijk. Zij moet er moeite voor doen in haar herinnering terug te halen en vast te houden welke alternatieve ervaringen zij in de 'structures' heeft opgedaan die een tegenwicht kunnen bieden aan de vroegere traumatiserende situatie. Daarmee kan zij zich op het bewustzijnsniveau van het gekwetste kind van destijds meer positieve verwachtingen eigen maken, hetgeen haar een grotere vrijheid geeft om in het heden zelf haar gedrag in relatie tot ander mensen te bepalen. Een lange weg, waarbij zij haar eigen inzet en motivatie en de steun van de groep hard nodig zal hebben.
Indicatiestelling, beperkingen
In het algemeen is Pesso-psychotherapie geschikt voor cliënten die bij zichzelf onderkennen dat psychische klachten ook een lichamelijke kant hebben. Zij hebben gemerkt dat alleen praten niet voldoende verandering oplevert. Een neiging tot zelfverwonding of suïcidepogingen moet echter niet op de voorgrond staan. Voorwaarde is dat de cliënte voldoende in staat is symboliek en realiteit te onderscheiden, niet verslaafd is aan middelen en zich in enigszins op haar gemak kan voelen in een groep.
De methode is dus niet voor iedereen met een achtergrond van seksueel misbruik geschikt. Ondanks de structuur en afspraken die de veiligheid bevorderen, kan deelname aan een groep als te bedreigend of beschamend worden ervaren. Soms is voor vrouwen met een achtergrond van seksueel misbruik deelname aan een groep waarin ook mannen participeren ondenkbaar.
Over het algemeen, zoals in de besproken casus, is het aan te bevelen dat de cliënte eerst ervaring heeft opgedaan met het bespreken van het traumatische verleden in bijvoorbeeld een individuele therapie (Sommeling 1987) of in een gespreksgroep voor vrouwen. Zij zal een zeker vertrouwen moeten hebben ontwikkeld dat er mensen bestaan die haar willen geloven en haar serieus nemen in wat zij heeft meegemaakt. Zij moet in staat en bereid zijn in een veilige omgeving lichamelijke signalen serieus te nemen en verder te onderzoeken. Een voorbereidende oefeningengroep kan daarbij helpen (Perquin 1991). Tijdens de deelname aan een 'structuregroep' is voor een aantal cliënten een paralel verlopend, steunend individueel contact van bijvoorbeeld een maal per twee weken onmisbaar.
Geraadpleegde Literatuur
Aghassy, G. en M. Noot (1990). Seksuele contacten binnen psychotherapeutische hulpverleningsrelaties. Uitgave van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Den Haag: Vuga.
American Psychiatric Association, Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, (DSM-IV). (1994) Washington, DC: American Psychiatric Association,
Anzieu, D. (1989). The Skin Ego. The psychoanalytic approach. New Haven/Londen: Yale University.
Attekum, M. van (1997). Aan den Lijve. Lichaamsgerichte psychotherapie volgens Pesso. Lisse: Swets & Zeitlinger.
Bakker, M. (1996). Groepsdynamische groepsprocessen in een Pesso-psychotherapiegroep. Pesso Bulletin, 12(2).
Beck, J.S. (1995). Cognitive therapy. Basics and beyond. New York: Guilford Press.
Berk, T. (1992). Groepspsychotherapie. Muiderberg: Coutinho.
Boer, E. de (1994). The Body of the Word. Proceedings of the Second International Conference on PBSP. Atlanta, GA. Pesso Bulletin, 10(2).
Boer, E. de (1998). Pesso-psychotherapie bij Borderline-persoonlijk-heidsproblematiek. Tijdschrift voor Pesso-psychotherapie, 14(2), 46-52.
Bruine, G. de (1993). Kracht en openheid. Pesso Bulletin, 9(2).
Cooper D. (1992). Professional ethics and Pesso system/Psychomotor therapy. Proceedings of the First International Conference on PSP, Pesso Bulletin, 8(2).
Crandell, J.S. (1991). Pesso System/Psychomotor and Object relations Theory. In A. Pesso & J.S. Crandell (Eds.), Moving psychotherapy. Theory and application of Pesso system/Psychomotor therapy. (117-136.). Cambridge: Brookline Books.
Cuppen (2000). Redactioneel commentaar. Met dank ontvangen.
Damasio, Antonio R. (1999) The Feeling of What Happens. Body & Emotion in the Making of Consciousness. New York: Harcourt Brace & Company.
Depestele, F. (1997). Over grenzen en aanverwante problemen van de cliëntgerichte psychotherapie. Tijdschrift voor cliëntgerichte psychotherapie, 35(1), 33-64.
Dornes, M. (1994). Psychoanalyse en het onderzoek van het jonge kind. Enkele hoofdthema's van de discussie. Psychotherapie, 2(2), 159-202.
Draijer, P.J. (1990). Seksuele traumatisering in de jeugd. Lange termijn gevolgen van seksueel misbruik van meisjes door verwanten. Academisch proefschrift. Amsterdam: SUA.
Duijvenboden, Th. van. (1998). Weerstand in de Pesso-psychotherapie. Tijdschrift voor Pesso-psychotherapie, 14(2), 35-45.
Ehlert, M. en B. Lorke. (1988). Zur Psychodynamik der traumatische Reaktion. Psyche, 42, 6.
Everaerd, W.T.A.M. (1988). Enkele opmerkingen over emoties en lichamelijke klachten. Bewegen & Hulpverlening, 5(4), 232-238.
Eijgenstein, P. (1998). The keystone of the structure. A way to anchor structure memory more deeply. Proceedings of the Fourth International Conference on PBSP, Oslo, Norway.
Ferenczi, S., & Rank, O. (1924). The development of psychoanalysis. Madison, CT: International Universiteis Press, 1986.
Gutheil, T.G., & Gabbard, G.O. (1993). The concept of bounderies in clinical practice: theoretical and risk-management dimensions. American Journal of Psychiatry, 150(2), 188-196.
Haver, W. Van (2000). Het gebruik van de Pesso-methode in individuele psychotherapie. Tijdschrift voor Pesso-psychotherapie, 16(1) pag, 23.
Howe, L. P. (1991). Origins and History of Pesso System/Psychomotor Therapy. In A. Pesso & J.S. Crandell, Moving psychotherapy. Theory and application of Pesso system/Psychomotor therapy (3-32). Cambridge: Brookline Books.
Jacobs, T.J. (1993). Nonverbal communications: some reflections on their role in the psychoanalytic process and psychoanalytic education. Journal of the American Psychoanalytic Association, 42(3), 741-762.
Jansen, C.E.C. (1994). Our group as ideal family. Pesso Bulletin, 10(2).
Jongsma, T. (1994). Transference in Pesso pschychotherapy. Second International Conference on PBSP, Atlanta, Georgia.
Jongsma, T. (1996). Enkele overwegingen betreffende overdracht en tegenoverdracht. Pesso Bulletin, 12(2).
Jongsma, T., & Perquin, L.N.M. (1998). >Afspraken voor deelname aan een Pesso-groep. Pesso Bulletin, 14(1).
Jongsma-Tieleman, P.E. (1996). Godsdienst als speelruimte voor verbeelding. Een godsdienst-psychologische studie. Kampen: Kok.
Kaufman, G.B. (1991). The use of psychomotor therapy in the treatment of chronic pain. In A. Pesso & J.S. Crandell (Eds.), Moving psychotherapy. Theory and application of Pesso system/Psychomotor therapy, 189-197. Cambridge: Brookline Books.
Kolk, B.A. van der, Mc Farlane, A.C., & Weisaeth, L. (1996). Traumatic Stress: the effects of overwhelming experience on mind, body and society. New York: Guilford Press.
LeDoux (1996). The Emotional Brain: The Mysterious Underpinnings of Emotional Life. New York: Simon and Schuster.
Leijssen, M. (1998). De therapeut. Handboek Integratieve Psychotherapie. W. Trijsburg, S. Colijn, G. Lietaer & E. Columbien (Red). Maarssen: Elsevier/De tijdstroom.
Lichtenburcht, C. van & Thooft, L. (2000). Het geminachte lichaam. Amsterdam: Ambo.
Mahler, M.S., Pine, F., & Bergman, A. (1975). The psychological birth of the human infant. New York: Basic Books.
Napier, A. (1988). The Fragile Bond. New York: Harper & Row.
Perquin, L.N.M. (1986). Pesso-psychotherapie en psychoanalytische concepten. Deel I: Pesso Bulletin 2(1), Deel II: Pesso Bulletin, 2(2).
Perquin, L.N.M. (1991). Structured exercises as therapeutic tools in Pesso psychotherapy. In A. Pesso & J.S. Crandell (Eds.) Moving psychotherapy. Theory and application of Pesso system/Psychomotor therapy (pp. 255-263). Cambridge: Brookline Books
Perquin, L. (1992). Humour and Pesso Psychotherapy. Proceedings of the First International Meeting on PBSP. Pesso Bulletin, 8(2), 82-90.
Perquin, L. (1994). Transference: a vital therapeutic tool in Pesso Boyden system psychomotor therapy. Proceedings of the Second International Conference on PBSP. >Atlanta, Georgia.
Perquin, L., Jongsma, T., & Attekum, M. van (1998). Punten van houvast bij het schrijven van een levensgeschiedenis. Pesso Bulletin, 14(1).
Perquin, L. (2000). Omnipotentie en Limitering in Pesso-psychotherapie. Tijdschrift voor Pesso-psychotherapie, 16(3) dit nummer. Engels: Omnipotence and limits in PBSP. Proceedings of the Second International Conference on PBSP. >Atlanta, Georgia*.
* Tevens beschikbaar op internet: www.PBSP.com .
Pesso, A. & Boyden-Pesso, D. (1969 en 1989). Movement in psychotherapy. Psychomotor technique and training. New York: New York University Press/Atlanta: Telles Institute.
Pesso, A. (1973). Experience in action. A psychomotor psychology. New York: New York University Press. *
Pesso, A. (1984). Touch and action. The use of the body in psychotherapy. Bewegen en Hulpverlening>, 1(4).
Pesso, A. (1988a). Ego development and the body. Bewegen & Hulpverlening>, 5(4).
Pesso, A. (1988b). Sexual abuse, the integrity of the body. Diagnostic and therapeutic implications. Bewegen & Hulpverlening>, 5(4).*
Pesso A. (1990). Centre of Truth, True Scene and Pilot in PSP. Pesso Bulletin 6(2).*
Pesso, A. (1992). On becoming. Pesso Bulletin, 8(2).
Pesso, A., & Perquin, L.N.M. (1996). On contract and motivation in Pesso Boyden System Psychomotor. Pesso Bulletin, 12(2).*
Pesso, A. (1997). Introduction to Pesso Boyden Psychomotor System. In Chr. Caldwell (Ed.), Getting in Touch: A guide to body-centered therapies. Wheaton, IL: Publishing House.*
Reenen, H.H.J. van, Vandermeersch, P., & Hutschemaekers, G. (1997). Alternatieve GGZ en New Age. Verslag van een enquête onder alternatieve hulpverleners. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 52(12).
Rietman, A. (1996). Ervaringen met een zaterdag-oefeningen groep. Pesso Bulletin, 7(1).
Rogers, C.R. (1951). Client-centered therapy: Its current practice, implications, and theory. Boston: Houghton Mifflin.
Sarolea, H. (1986). Werken met ideale ouders. Pesso Bulletin, 2(1).
Sarolea, H. (1987). >Van structure naar daagse werkelijkheid. Pesso Bulletin, 3(2).
Schacht, H. Mogelijkheden en beperkingen van psychotherapie bij latere gevolgen van seksuele kindermishandeling. Bewegen & Hulpverlening, 4, 262-269.
Schacter, D.L. (1997). De kunst van het geheugen. De herinneringen, de hersenen en de geest. A'dam: Anthos.
Sommeling, L. (1987). Individuele therapie als voorwaarde voor een Pesso groep. Pesso Bulletin, 3(3).
Sommeling, L. (1994). Het lichaam, ook in individuele gesprekstherapie. Tijdschrift voor Psychotherapie, 20(5), 293-306.
Sommeling, L. (2000) Het lichaam in de psychotherapie. Handboek Integratieve Psychotherapie. W. Trijsburg, S. Colijn, G. Lietaer & E. Columbien (Red). Maarssen: Elsevier/De tijdstroom.
Souget, F. (1985). De achterzijde van de menselijke geest. Swets en Zeitlinger. Hoofdstuk 7, pag. 79-100.
Steen, C. van der (1995). Pesso oefeningen en pijn: het beïnvloeden van de pijnbeleving bij chronische pijnpatiënten. Pesso Bulletin, 11(2).
Stern, D.N. (1985). The interpersonal world of the infant. A view from psychoanalysis and developmental psychology. New York: Basic Books.
Stern, D.N., Sander, L.W., Nahum, J.P., Harrison, A.M., Lyons-Ruth, K., Morgan, A.C., Bruschweiler-Stern, N., & Tronick, E.Z. The process of change study group. (1998). Non-interpretive mechanisms in psychoanalytic therapy. The 'something more' than interpretation. >International Journal of Psychoanalysis>, 79, 903-921.
Strien, J. van (2000). De neuropsychologie van emoties. Neuropraxis, 4(5), 135-143.
Tilburg, W. van. (1988). Psychotraumatische aspecten van seksuele mishandeling. Bewegen & Hulpverlening, 4, 249-252.
Tilburg, W. van, & Perquin, L. (1997). Ten geleide bij Aan den Lijve. Lichaamsgerichte psychotherapie volgens Pesso. Attekum, M. van. Lisse: Swets & Zeitlinger.
Trügg, WJ (2000). Redactioneel commentaar. Met dank ontvangen.
Verboom, H. (1990). Informatie betreffende de oefengroep. Pesso Bulletin, 6(2).
Yalom, I.D. (1978). Groepspsychotherapie in theorie en praktijk>. Deventer: Van Loghum Slaterus.
Witter, M. Mededeling in: Gestolde Emoties.VPRO Televisie: Noorderlicht, September 1999.
Aanbevolen literatuur over Pesso-psychotherapie
Attekum, M. van. (1997). Aan den Lijve. Lichaamsgerichte psychotherapie volgens Pesso. Lisse: Swets & Zeitlinger.
Haver, W. Van. (1990). Het gekwetste zelf. Pesso-psychotherapie als terugweg naar zichzelf. Leuven/Amersfoort: Acco.
Perquin, L.N.M. (1997). Opleidingsbrochure Pesso-psychotherapie. Op te vragen bij de RINO Noord Holland. Leidseplein 5, 1017 PR Amsterdam, tel: 020-625 08 03.
Perquin en Rehwinkel (1999). Pesso-psychotherapie. Een lichaamsgeoriënteerde psychotherapeutische methode. Handboek voor groepspsychotherapie.
Pesso, A. (1973). Experience in Action. A psychomotor psychology. New York: New York University Press.*
Pesso, A. (1988) Dramaturgie des Unbewussten. Eine Einführung in die psychomotorische Therapie. Ubersetzt und eingeleitet von T. Moser. Stuttgart: Klett-Cotta.
Pesso, A., & Chr. Crandell, (Eds.) (1991). Moving psychotherapy. Theory and application of Pesso system/psychomotor therapy. Cambridge: Brookline Books.
Pesso, A. (1994). Introduction to Pesso Boyden system psychomotor. Text and graphics by Albert Pesso. Franklin, NH: PS Press.*
Pesso, A. (1997). Introduction to Pesso Boyden psychomotor system. In Chr. Caldwell (Ed.), Getting in Touch: A guide to body-centered therapies. Wheaton, IL: Publishing House.*
Diverse artikelen: Internet Homepage Pesso-Boyden. www.PBSP.com
De met een asterix * gemarkeerde literatuur is op deze Homepage beschikbaar.
Correspondentie adres
Frans van Mierisstraat 95, 1071 RN Amsterdam.
E-mail: LPerquin.wxs.nl
Homepage: www.Pesso.nl
Informatie over opleiding in Nederland
RINO Noord-Holland
Leidseplein 5, 1017 PR Amsterdam. Telefoon: 020-6250803
Informatie over adressen voor therapiegroepen
Telefoon: 0343-511 887
Literatuur op Internet
www.PBSP.com
www.Pesso.nl
Met dank aan:
Monique Cuppen, Carla van Lichtenburcht, Pieter Kempe, Harmina Muggen en Jeanne Perquin-Gerris. |