| |
||||||||
![]() |
download een printbare versie (Word formaat) De Pesso-psychotherapie en de neurowetenschappen Lowijs Perquin Het bewustzijn, de herinneringen, de emoties en de daaruit gevormde perceptie van de cliënt op zichzelf en de wereld is het terrein van de psychotherapie. Hoe hangen zintuiglijke waarneming, lichamelijke informatie, emoties, het geheugen en het bewustzijn samen? Hoe kan kennis over de organisatie van de hersenen verklaren dat herinneringen aan emotionele gebeurtenissen ons dagelijks handelen zo sterk bepalen? Hoe kan psychotherapie daar invloed op uitoefenen? De moderne neurowetenschappen zullen misschien het materiaal gaan leveren om bovenstaande vragen te beantwoorden en onderliggende principes van psychotherapeutische methoden te funderen. In vogelvlucht komt in deze lezing naar voren wat de neurowetenschappen de Pesso-therapeut te bieden hebben. Na enige argumenten voor de bestudering van de hersenen komt vooral de kennis van de functionele neuro-anatomie voor het beter begrijpen van het bewustzijn, het geheugen en de emoties aan bod. De betekenis van deze kennis voor de Pesso-psychotherapie wordt tussen de regels door aangegeven. Na een poging om de stappen in een therapeutische sessie (structure) vanuit een neurowetenschappelijk perspectief te illustreren wordt met enige relativerende opmerkingen besloten.
Waarom de hersenen? Geen deel van het menselijk organisme communiceert zo intensief met de buitenwereld als het centrale zenuwstelsel. Razendsnel vindt informatie zijn weg in opeenvolgende reeksen van zenuwimpulsen en ketens van neurobiochemische en hormonale reacties. Voortdurend worden zintuiglijke ervaringen geselecteerd en omgezet in gevoelens, gedachten en gedrag: wie het koud heeft zet de kachel hoger. Een spannende passage in een detective veroorzaakt kippenvel bij de lezer: elke waarneming gaat -meestal ongemerkt- gepaard aan een lichamelijke respons. Het brein bemiddelt tussen binnen- en buitenwereld, tussen lichaam en geest, materie en non-materie, object en subject, concreet en abstract, het zelf en de ander. Emotie en cognitie worden verbonden, waarneming en verbeelding, werkelijkheid en fantasie, heden en verleden komen bijeen. De hersenen hebben zich geëvolueerd tot een uiterst flexibel systeem dat zich voortdurend adapteert aan steeds weer veranderende omstandigheden. Anders dan bij andere diersoorten is een groot deel van de menselijke hersenschors gereserveerd voor taken die communicatie met anderen mogelijk maken: met taal en impliciete kennis kunnen we de belevingswereld van de ander ontmoeten. Het brein is dan ook het meest 'plastische' orgaan van het lichaam. Terwijl de lever van de alcoholist de relatief eenvoudige les heeft geleerd alcohol sneller dan normaal te metaboliseren, waardoor de tolerantie toeneemt, kan het brein van de verslaafde de complexe argumenten bedenken om niet na drie maar na twee pilsjes te stoppen met drinken. De centrale taak in de communicatie met de interne en externe werkelijkheid én het vermogen tot voortdurende adaptatie zijn voor de psychotherapeut goede redenen om zich in de werking van de hersenen te verdiepen. Een poging om zicht te krijgen op de explosief groeiende kennis van de neurowetenschappen is voor de Pesso-psychotherapeut, die het lichamelijke methodisch in de psychotherapie betrekt, een interessante uitdaging. Want zoals de neurowetenschapper Andreasen kort maar krachtig formuleert: 'The Mind is in the Brain, the Brain is in the Body' (1997). Waarom de neurowetenschappen? Neurowetenschappelijke studies naar de dynamische relatie tussen hersenen, omgeving en gedrag en onderzoek naar de biologische basis van emoties, geheugen en het bewustzijn vormen een omvangrijk onderzoeksterrein. Tienduizenden neurowetenschappers bouwen aan een beter begrip van het functioneren van de menselijke geest. Neurofysici, neurologen, neuro-anatomen, biochemici, ethologen, fysiologen, endocrinologen, farmacologen, psychologen en psychiaters ontwikkelen onderzoekstechnieken die onze gedachten, herinneringen en emoties zichtbaar maken, zoals een röntgenfoto het skelet (Carter 1998). Al onderzoekend rekenen zij af met de Cartesiaans dichotomie waarin de geneeskunde zich bezig houdt met materiële hersenziekten en medicatie, terwijl de psychologie zich zou richten op problemen van de immateriële geest. Het onderscheid tussen lichaam en geest bestaat nog slechts semantisch. Wat wij de psyche noemen, is tevens de som van de activiteiten in de hersenen, op cellulair, chemisch en moleculair niveau (Andreason 1997). Het brein reflecteert de activiteit van de geest: waarneming, herinnering, stemming, emotie, denken en gedrag. Een MRI scan (Magnetic Resonance Imaging) kan tegenwoordig laten zien hoe een bepaald gebied in de hersenen van een proefpersoon letterlijk oplicht bij een onaangename herinnering. De nieuwste neurowetenschappelijke inzichten waarin het brein en de geest als geïntegreerd worden beschouwd, ontwikkelen zich dermate snel dat te verwachten is dat vragen naar het ontstaan van psychologische problemen en naar de werking van psychologische behandelmethoden op den duur niet meer los van deze kennis zijn te beantwoorden (Gabbard, 2000). Hoe psychotherapie kan helpen, welke interventies effectief zijn én beklijven, deze vragen zullen op den duur mede aan de hand van de neurowetenschappelijke bestudering van het bewustzijn, de emoties en het geheugen beter worden begrepen. Dat het hersenonderzoek van de laatste jaren een aantal uitgangspunten van de Pesso-psychotherapie lijkt te onderbouwen is een tweede motivatie voor een lezing over het brein: de neurowetenschappen bieden als het ware een retrospectieve validatie van de psychotherapeutische methode waarvan Diane Boyden en Al Pesso 40 jaar geleden de fundamenten hebben gelegd en die zich sindsdien steeds verder heeft geëvolueerd. Binnen een beperkt bestek vindt u hier een eerste verkenning van een geselecteerd aantal onderwerpen op het terrein van de neurowetenschappen. Het zijn terreinschetsen die geen recht doen aan de complexiteit van de materie en die zeker nog geen sluitend antwoord bieden op de veelomvattende vragen die zij trachten te bespreken. De functioneel neuroanatomische invalshoek staat op de voorgrond, slechts zijdelings komen de neurotransmitters en hormonale processen aan bod. Wie zich door de rijkdom van deze nieuwe kennisgebieden verder wil laten inspireren, kan zich tot de oorspronkelijke bronnen richten: Le Doux (1996), Schacter (1997), Damassio (1994, 1999) en Edelmann (1997). Aan drie thema's besteedt Al Pesso de laatste jaren in zijn lezingen toenemend aandacht: het bewustzijn, het geheugen en de emoties. De volgende vragen staan in het volgende centraal. Hoe hangen bewustzijn, geheugen, zintuiglijke waarneming, lichamelijke informatie en emoties samen. Hoe kan kennis over de organisatie van de hersenen verklaren dat herinneringen aan emotionele gebeurtenissen ons dagelijks handelen zo sterk beïnvloeden. Omdat de eenheid van beleven de psyche kenmerkt, doet elke indeling aan die ervaring tekort. De drie paragrafen over het bewustzijn, het geheugen en de emoties zijn dan ook niet scherp van elkaar afgebakend. Naar elkaar verwijzend getuigen zij impliciet van hun verbondenheid. Per onderwerp vindt u - niet uitputtend - een aantal verwijzingen naar de praktijk van de Pesso-psychotherapie. 1. BEWUSTZIJN Cliënten die psychotherapeutische en psychiatrische hulp zoeken, verwachten behalve afname van de klachten, ook inzicht in de aard van hun problemen. Zij willen begrijpen wat er speelt. Deze hedendaagse wens correspondeert met het eeuwenoude ideaal van de Griekse Stoa: 'Gnoti seauton', 'leer uzelf kennen'. Het door Freud geformuleerde doel van de psychoanalytische behandeling: 'Wo Es ist, soll Ich werden' komt daar nauw mee overeen. Zichzelf en de wereld willen begrijpen, zich bewust-willen-zijn van het bestaan en de zin daarvan, is eigen aan de menselijke soort. Voor een mens die zijn mentale en sociale oriëntatie is kwijtgeraakt en in psychische nood verkeert, is het essentieel zijn lichamelijk welzijn, zin en betekenis in het leven, zijn gevoel van identiteit en de sturing over het eigen bestaan terug te vinden. De door John Harlow beschreven beschadiging van het frontale brein van de spoorwegarbeider Phineas Gage vormde in het midden van de 19e eeuw een eerste aanknopingspunt voor de wetenschappelijke bestudering van de lokalisatie van het bewustzijn in de hersenen. Vóór zijn ongeluk had Gage als taak dynamiet tussen twee rotsblokken met een ijzeren stang aan te stampen. Door een onbedoelde explosie schoot de stang met een enorme snelheid dwars door zijn linker oogkas, zijn schedeldak weer uit. Als door een wonder bleken al zijn mentale en motorische functies na het ongeluk intact. Hij kon lopen, praten, denken en onthouden. Toch was hij niet dezelfde als voorheen. De gewaardeerde, om zijn hoge arbeidsmoraal geprezen medewerker verviel tot onvoorspelbaar, grillig gedrag. Zonder motief verliet hij werkgever na werkgever; vrouwen waren voor hem niet meer veilig. Uiteindelijk raakte hij geheel aan lager wal. Kenmerkend voor zijn toestand, een gevolg van de beschadiging van zijn frontale hersenschors, was het onvermogen gemotiveerde beslissingen te nemen, plannen te maken, deze uit te voeren en kritisch te evalueren. Uit longitudinaal onderzoek is bekend dat vroeg-affectieve verwaarlozing predisponeert voor antisociaal en crimineel gedrag bij mannen. Ook is bekend dat het succespercentage van de behandeling van plegers van gewelddelicten niet erg hoog is. De neuronen van de frontale schors die tijdens de rijping van de hersenen in de eerste levensjaren beschikbaar zijn om de activiteit van lager gelegen hersencentra af te remmen, komen bij kinderen die niet geknuffeld worden minder gedifferentieerd tot ontwikkeling. Op PET-scans (Positron Emission Tomography) waarmee de glucosestofwisseling van het brein wordt gemeten, blijken de frontale hersenen bij recidiverende delictplegers minder hersenactiviteit te laten zien dan bij normale mensen (Raine et al. 1994). Het volgende testje adstrueert het belang van de frontale hersenstructuren. Steek gedurende drie seconden de wijsvinger en middelvinger van uw rechterhand op. Bij deze taak zijn taalcentra en delen van de motorische schors betrokken. Steek nu zoveel vingers op als u zelf wilt van een hand die u zelf kiest. Een functionele-MRI scan van uw hersenen zou kunnen laten zien dat bij de laatste opdracht, waarbij u zelf moet beslissen, ook delen van de frontale hersenschors geactiveerd worden. Deze zijn niet actief bij de eerste opdracht, waarbij u simpel een voorschrift opvolgt. Deze gebieden, waar bewuste wilsbesluiten gegenereerd worden, waren bij Phineas Gage beschadigd en lieten bij de delictpleger een verminderde frontale activiteit op de PET-scan zien. 1.1 Hersenen en bewustzijn Het frontale brein laat de volgende functionele structuren zien. De orbito-frontale cortex belemmert inadequate, impulsieve handelingen en remt de onmiddellijke bevrediging van behoeften af. We kunnen bevrediging uitstellen of bewust leren sublimeren. Terwijl bij patiënten met dwangstoornissen sprake is van overactiviteit, heeft de orbito-frontale cortex vermoedelijk een gemiddeld activiteitsniveau bij mensen wiens behoeften als kind voldoende zijn bevredigd, die begeleid werden bij gevoelens van woede en frustratie wanneer bevrediging van behoeften uitbleef en die niet te vroeg, - maar ook niet te laat - op hun autonomie zijn aangesproken. Een cliënt in een Pesso-therapiegroep moet enigszins op dit deel van zijn brein kunnen rekenen wanneer hij of zij niet aan de beurt is voor een structure en alleen als rollenspeler voor de ander beschikbaar is en eigen bevrediging moet uitstellen. De dorsolaterale prefrontale cortex, onderaan de zijkant van de frontale hersenschors, heeft als functie de opgeslagen gegevens uit het emotionele en het autobiografische geheugen op te halen. Tevens worden hier zaken 'in gedachten gehouden', tot plannen en ideeën gevormd en besluiten genomen over uit te voeren gedrag. Vóór-onderin het frontale brein bevindt zich de ventromediale cortex. Hier worden emoties bewust ervaren, geïnterpreteerd en begrepen. De cortex cinguli anterior speelt een rol bij het richten van de aandacht en het afstemmen van externe input op onze eigen gedachten en het onderscheiden van externe en interne stimuli. In de voorbereidende oefenfase van een Pesso therapiegroep worden in de oefeningen met 'Bewust gecontroleerd bewegen' de drie frontale functies van het brein aangesproken: beheersen, plannen en de aandacht richten. De deelnemers concentreren zich op één arm om deze gecontroleerd, volgens een eigen voorbedacht plan langzaam op te tillen. Het na afloop evalueren of de beweging een juiste uitvoering was van het plan dient als metafoor voor hoe de deelnemer in het algemeen met planning omgaat. Je zou tentatief kunnen zeggen dat het frontale brein de zetel is van wat Al Pesso het 'Pilot Ego' noemt: 'The Observing and Executive Ego, the President of the United Sates of Consciousness'. Bij patiënten met een schizofrene stoornis zijn de cortex cinguli anterior en de dorsolaterale prefrontale cortex hypoactief. Dit zou een afname van spontaan en gepland gedrag kunnen verklaren en het onvermogen om stemmen die van buiten komen te onderscheiden van innerlijke stemmen (hallucinaties). Bij depressieve patiënten is de ventromediale cortex, het gebied dat emoties registreert hyperactief, terwijl de dorso-laterale frontale cortex, betrokken bij planningstaken, net als bij de schizofrene patiënt onderdrukt is. De depressieve patiënt komt niet tot actie, maar is meer dan normaal gefixeerd op de eigen emotionele toestand. Onderzoek van Posner e.a (1994) laat zien dat wanneer iemand gevraagd wordt aan iets verdrietigs te denken, dezelfde gebieden als bij depressie worden geactiveerd. Deze bevinding brengt de pathologie dichter bij het alledaagse. Wanneer vrouwen wordt gevraagd aan iets verdrietigs te denken, laten zij meer hersenactiviteit in de emotionele hersencentra zien dan mannen, hetgeen suggereert dat vrouwen sterker emotioneel reageren op zelf veroorzaakte gedachten en bewuste herinneringen (Carter, 1997). Overigens blijft in het midden of dit een aangeboren of aangeleerd effect is. Misschien verklaart het wel dat vrouwen zich beter bewust zijn van de noodzaak van therapeutische en medische hulp. 1.2 Het bewustzijn als 'werkgeheugen' In een niet allesomvattend maar bruikbaar model wordt het bewustzijn gezien als het 'werkgeheugen' of het hoogste informatie-verwerkingssysteem van het brein (Le Doux, 1996). Bovenbeschreven frontale schorsgebieden spelen daarin een centrale rol. In het werkgeheugen komt informatie uit verschillende cerebrale systemen interactief beschikbaar. Drie binnentredende informatiestromen staan daarbij centraal: zintuiglijke informatie (1.2.1), informatie uit het geheugen (1.2.2) en lichamelijk informatie (1.2.3). 1.2.1 Zintuiglijke informatie Zonder externe zintuiglijke prikkels, - zien, horen, ruiken, proeven en tasten - is het menselijk bewustzijn ondenkbaar. Temperatuurzin, pijnzin en sensomotorische input, zoals de gewrichts-, evenwichts-, houdings- en bewegingszin zijn minder opvallende informatiebronnen, maar zijn niet minder belangrijk voor het bewustzijn. Via de thalamus, gelokaliseerd in de middenhersenen en het reticulair systeem in de hersenstam wordt de hersenschors geactiveerd en in staat van paraatheid gebracht en gehouden. Een waakzame hersenschors in afwachting van wat komen gaat vertoont relatief weinig hersenactiviteit maar kan onmiddellijk op nieuwe prikkels reageren, terwijl een droom waarbij de gehele visuele en auditieve cortex oplicht de slaper vermoedelijk tegen wekprikkels van buiten beschermt. Experimenten met sensorische deprivatie laten zien hoe noodzakelijk zintuiglijke informatie voor het bewustzijn is. Een gezonde proefpersoon die bewegingloos in een verduisterd zwembad met warm water zweeft en door een slang ademt, ziet, hoort en ruikt niets en ervaart vrijwel geen tast-, temperatuur- en bewegingsprikkels. Na een aantal uren verliest de betrokkene de oriëntatie in tijd, plaats en persoon en krijgt een sterke drang om te gaan bewegen. Het vooruitzicht op een hoge beloning helpt niet om de betrokkene over te halen 'de piano spelende' vingers stil te houden. Toch kunnen deze pogingen tot autostimulatie niet verhinderen dat een compleet delirant beeld ontstaat: een gedaald bewustzijn met hallucinaties, wanen, desoriëntatie, verlies van ik-besef en motorische onrust (Perquin, 1983). De persoon raakt ernstig van slag wanneer het brein niet door voldoende exogene prikkels wordt gevoed. Om wakker te blijven en waakzaam te zijn vraagt het om voortdurende zintuiglijke stimulatie. Minder in het oog springend, maar vaker voorkomend is de verandering van het ik-besef als gevolg van een lichte vorm van gebrek aan normale zintuiglijke prikkels, zoals na een lange autorit. Na uren inspannend sturen en turen staat de bestuurder plotseling op het balkon van het vakantiehuisje. Het mooie uitzicht op het meer ziet er onwerkelijk uit: 'het is net een schilderij'. De langdurige, intense concentratie op de monotone visuele prikkels van de autosnelweg en het voortdurende verkeersgeraas, heeft de normale sensorische en sensomotorische informatie onderdrukt, 'buiten het bewustzijn gehouden'. Het zelfbesef is verminderd - depersonalisatie - en de nieuwe omgeving wordt als onwerkelijk beleefd - derealisatie. Met andere woorden: de belevingskwaliteit van het bewustzijn wordt sterk beïnvloed door zintuiglijke input. Depersonalisatie en derealisatie treden in extremere vorm op bij getraumatiseerde mensen. Een eenvoudige aanleiding, een 'trigger', kan plotseling heftige emoties zoals woede, wanhoop en verdriet re-activeren en daarbij horend gedrag in gang zetten. Emoties zijn vijanden geworden die voortdurend op de loer liggen om te verwarren of in bezit te nemen. Vaak ontwikkelt de persoon als vanzelf een lichamelijke controletechniek: agonistische en antagonistische spieren worden gelijktijdig aangespannen. Keel, hals-, borst-, en buikspieren verkeren constant in een toestand van licht verhoogde spierspanning, waardoor lichamelijke sensaties die met de emotie verbonden zijn onder de grens van de bewuste waarneming worden gehouden. De 'contract-interventie' in de Pesso-psychotherapie is een poging om in een gecontroleerde setting de beweging die bij de emotie hoort weer op gang te brengen en daaraan betekenis te geven. De cliënt wordt gevraagd om rond het gebied van lichamelijke spanning 'alle spieren aan te spannen om te zien wat er komt, zoals beweging, geluid of innerlijke beelden'. De balans tussen agonistische en antagonistische activiteit raakt kortdurend verstoord, waardoor de oorspronkelijke beweging van de agonistische spieren en de daaraan verbonden emotie weer in het bewustzijn kan terugkomen. Terwijl een rondje hardlopen voor de autobestuurder voldoende is om uit diens voorbijgaande toestand van vervreemding te komen, rapporteren cliënten die seksueel misbruikt en chronisch gedepersonaliseerd zijn vaak dat zij het contact met het eigen lichaam trachten te herstellen door zichzelf te bezeren. Automutilatie is een handeling die gestuurd wordt door impliciete geheugencentra die de oorspronkelijke scène reproduceren: in de daad van fysieke zelfbeschadiging is de cliënt als het ware dader en slachtoffer tegelijk. In een Pesso-therapiegroep kunnen, met instemming van de cliënt, beschermende rolfiguren de op zichzelf gerichte woede fysiek begrenzen door de cliënt vast te houden, zodat de impuls van zelfhaat geuit kan worden zonder dat de cliënt zichzelf daarbij bezeert. De opnieuw beleefde lichamelijke pijn activeert via 'de centrale meldkamer' voor zintuiglijke informatie (de thalamus), het emotiecentrum: de amygdala of amandelkern. Deze prikkelt op zijn beurt de frontale centra waarin de beleefde emotie betekenis krijgt (ventromediale cortex) en de aandacht zich gaat richten (cortex cinguli anterior) op het expliciete geheugencentrum (hypocampus). In de hypocampus zijn expliciete herinneringen aan gebeurtenissen opgeslagen. De neiging om de haat op zichzelf te richten als reactie op de informatie uit het impliciete geheugen verbindt zich nu met herinneringen uit het expliciete autobiografische geheugen. Rechtdoend aan de oorspronkelijke verontwaardiging kan de woede nu buiten het subject op de het oorspronkelijke object, de dader worden gericht. 1.2.2 Informatie uit het geheugen Zoals hierboven aangegeven verbindt de zintuiglijke en emotionele informatie die tijdelijk in het werkgeheugen is opgeroepen, zich met informatie die uit het lange termijn geheugen wordt opgehaald. De nieuwe input wordt razendsnel met de oude informatie vergeleken, waardoor interpretatie van de actuele zintuiglijke input mogelijk wordt. Alles wat we waarnemen wordt voortdurend beoordeeld tegen de achtergrond van wat we in het geheugen hebben opgeslagen. Zonder het geheugen is begrip van de situatie om ons heen niet denkbaar. Normaal bewustzijn voelt als een stroom, een beweging in de tijd. Ieder moment bestaat uit een reeks waarnemingen die alleen binnen de context van die stroom betekenis krijgen. Als je één moment zou kunnen ervaren, volledig ongeïnformeerd door alle voorafgaande momenten, zou dat moment geen enkele betekenis hebben. Zelfs onze identiteit vereist kennis van wie wij een moment tevoren waren (Carter 1998). Er zijn vele onderling gescheiden en gedeeltelijk met elkaar verbonden geheugencircuits in de hersenen. Enerzijds zijn er associatieve velden en zenuwbanen, nodig voor herkenning van bijvoorbeeld gezichten, waardoor we in staat zijn in een voetbalstadium uit duizenden mensen aan de andere kant van het speelveld een familielid te herkennen. Anderzijds zijn er hersengebieden en trajecten waarin emotionele prikkels en herinneringen passeren. In een bekende gevalsbeschrijving geeft Gazzaniga een voorbeeld van de werking van het impliciete, emotionele geheugen. Een proefpersoon die ten gevolge van hersenbeschadiging het vermogen tot visuele herkenning geheel was kwijt geraakt, begroette de onderzoeker bij elke ontmoeting even uitbundig. Steeds weer schudden zij elkaar de hand alsof het om een volledig nieuwe kennismaking ging. Bij een volgende ontmoeting had Gazzaniga een punaise op zijn hand geplakt. Bij het begroeten trok de proefpersoon met een van pijn vertrokken gezicht verontwaardigd zijn hand terug. Bij de volgende ontmoeting was hij weer even hartelijk als altijd. Toen de onderzoeker als gebruikelijk zijn hand toestak, trok de patiënt nu zijn eigen hand aarzelend terug, zonder te kunnen uitleggen waarom hij dit deed. Kennelijk was in een zelfstandig geheugengebied een herinnering van de negatieve emotionele prikkel opgeslagen, veroorzaakt door de uitgestoken hand van de onderzoeker die nu met pijn werd geassocieerd. Dit experiment was mede de aanzet voor verder onderzoek naar de anatomie van visuele en emotionele geheugenvorming en de betekenis voor het bewustzijn. De verschillende geheugensystemen komen uitvoeriger in de paragraaf over het geheugen aan bod. 1.2.3 Lichamelijk informatie Behalve met de buitenwereld en de in het geheugen opgeslagen ervaringen, kennis en herinneringen communiceren de hersenen via complexe regelmechanismen met andere systemen van het lichaam. Deze interacties ontrekken zich vrijwel geheel aan de bewuste waarneming. De frequentie van de hartslag en de spierspanning in de benen van de sprinter nemen onmiddellijk toe wanneer deze aan de start van de honderd meter hardlopen denkt. Wanneer de visueel associatieve hersenschors de projectie van een geïrriteerde baas op de primaire visuele hersenschors (V1) als gevaar interpreteert, stoot de hypothalamus binnen een fractie van een seconde het hypofyse stimulerend hormoon uit, welke op diens beurt de bijnierschors activeert om een extra dosis adrenaline en stresshormonen zoals cortisol aan de bloedbaan af te geven: het lichaam wordt in staat van paraatheid gebracht. Hoe complex de regelkringen van de lichamelijke informatie zijn, kan men zich enigszins voorstellen door na te gaan wat het bespelen van een viool vraagt. De motorische hersenschors activeert de dwarsgestreepte spieren, de kleine hersenen zorgen voor coördinatie, houding en modulatie van de motoriek, de basale hersenkernen van het extrapyramidaal systeem reguleren tempo, kracht en souplesse van de bewegingen. De tastzin zorgt voor het zuiver plaatsen van de vingers, de gewrichtszin registreert tempo en amplitudo van het vibrato, de hersenbalk synchroniseert de bewegingen van de linker hand met de streken van de rechter hand. Dit alles voortdurend bijgestuurd door de continue feedback van visuele en vooral auditieve input en centra die emoties moduleren: zo ontstaat de schijnbaar simpele beweging die de zuivere, ontroerende toon van de meesterviolist kenmerkt. Elke externe stimulus wordt meer of minder bewust als positief of negatief beoordeeld, waarna vervolgens lichamelijke reacties en sensaties, zoals bleek worden, transpireren of hartkloppingen kunnen optreden. Deze zijn volgens Magda Arnold (1960) en Frijda (1986) op te vatten als tendenties tot actie, voorbereidingen op potentieel gedrag zoals vechten, bevriezen of vluchten. Dit gaat gepaard met contracties van skeletspieren die de persoon zelf vaak niet waarneemt en die voor een buitenstaander niet zichtbaar zijn. De lichamelijke sensatie of actietendens gaat in Arnold's visie vooraf aan de vorming van een gevoel of emotie. In schema ziet dat er als volgt uit: stimulus -> beoordeling -> actietendens - lichamelijke sensatie -> gevoel Een bepaalde stimulus kan verschillend beoordeeld worden en verschillende lichamelijke sensaties en gevoelens met zich meebrengen. Een beledigende opmerking kan opgevat worden als een uitnodiging om te vechten (fight) en motorisch tot uiting komen in een gebalde vuist die het gevoel van woede uitdrukt. In een andere situatie is het een signaal om zich terug te trekken (flight) en worden gevoelens van angst opgeroepen. Afhankelijk van de stimulus en de beoordeling daarvan kan spanning in de buik, hartkloppingen en zweet in de handen zowel naar angst als verliefdheid verwijzen. Recent neurowetenschappelijk onderzoek bevestigt de hypothese van Magda Arnold. Bewuste emoties komen zowel door rechtstreekse signalen vanuit de amandelkern naar de frontale cortex als indirect tot stand. De indirecte route loopt via hormonale boodschappen vanuit de hypothalamus naar het lichaam, waardoor o.a. een verhoogde spiertonus, een stijging van de bloeddruk en een snellere hartslag optreden. Vervolgens worden deze veranderingen doorgegeven aan de somatosensorische cortex. Deze stuurt de informatie door naar de ventromediale gebied van de frontale cortex waar de prikkels als emotie wordt geïnterpreteerd en ervaren. Lichamelijke sensaties gaan aan bewuste emoties vooraf. In een individuele sessie in een Pesso-therapiegroep is 'Microtrackking' de therapeutische techniek om nauwkeurig de lichamelijke boodschappen, met name de gelaatsexpressie, van de cliënt waar te nemen. Van moment tot moment volgt de therapeut wat de cliënt met de gezichtsmusculatuur laat zien. Door subtiele contracties in de mimische spieren en veranderingen in oogopslag en stemintonatie waar te nemen en als affectieve informatie aan de cliënt terug te rapporteren, voedt de therapeut het bewustzijn (Pilot) van de cliënt met gegevens over zijn affectieve toestand, zoals die naar voren komt in lichamelijke actietendensen. De reden om de aandacht vooral op de gezichtsexpressie en minder op lichaamshouding en beweging te richten is vanuit een neurowetenschappelijk perspectief te motiveren. Er zijn twee systemen die onafhankelijk van elkaar de mimische spieren aansturen: 1) Zonder enige bemoeienis van de frontale en motorische hersenschors innerveert het limbisch systeem rechtstreeks de motorische kernen van de mimische spieren in de hersenstam; dit leidt tot ongecensureerde, spontane, emotionele mimische expressie. 2) De sociale, aangeleerde mimische expressie wordt vanuit de motorische, bewust willekeurig opererende cortex geïnnerveerd. Daarin zit het verschil tussen een beleefde -cortex- en een aardige -limbische- stewardess, tussen een strenge en een boze baas, tussen gejengel en authentiek verdriet. Het kunnen begrijpen van de expressie van een gezicht is een complexe en uiterst belangrijke functie die eigen is aan de soort en noodzakelijk is voor de oriëntatie op soortgenoten. Er bestaan algemeen herkenbare gezichtsuitdrukkingen voor belangstelling, nieuwsgierigheid, verbazing, afkeer, plezier, woede, verdriet, angst en schuldgevoel, in alle culturen. Het merendeel hiervan wordt reeds door baby's geuit. Zij hoeven niet te worden aangeleerd maar behoren bij elk lid van de soort tot de gedragsmogelijkheden en worden zonder training of uitleg herkend. Mensen die door een lichte hersendysfunctie moeite hebben met de interpretatie van emotionele expressie van anderen zijn gehandicapt in een simpel gesprekje. Een citaat uit het boek van Franzini en Grossberg, 'Eccentric and Bizarre Behaviours' maakt dat duidelijk: "Ik heb geleerd te kijken naar de mond van degene met wie ik praat en op te letten wanneer hij zijn tanden laat zien. Daardoor weet ik dat hij lacht. Dan probeer ik eraan te denken om terug te lachen. Ik kijk ook naar de ogen. Als mensen glimlachen komen er rimpeltjes rond hun ogen. Het probleem is dat het een poosje duurt voordat ik dat allemaal heb opgemerkt. Intussen is het gesprek verder gegaan, dus lach ik altijd een beetje te laat terug. Mensen vinden dat vervelend, ze denken dat ik er niet met mijn gedachten bij ben. Door dit alles vindt ik de omgang met mensen inspannend. Soms voel ik me zo moe, dat ik me terugtrek. Het kan heel eenzaam zijn". Zowel het herkennen als herkend worden in affectieve uitingen is essentieel voor de vroegkinderlijke emotionele ontwikkeling. Sommige cliënten hebben in de eerste jaren van hun leven een affectief vacuüm ervaren. Een depressieve, verwaarlozende of agressieve ouder staat niet open voor de gevoelsbeleving van het kind. Het kind leert geen taal kennen voor zijn meest individuele affectieve ervaringen. Dit kan een reden zijn dat hij of zij later als volwassene niet goed in staat zal zijn in contact te komen met zijn of haar gevoelswereld of die van anderen. 2. HET GEHEUGEN In eerste instantie hebben we moeten leren onthouden wat eetbaar is. Een kind van anderhalf stopt een hapje van het zandtaartje in zijn mond. Het kind van twee niet meer. Apen die van een groot aantal verschillende boomvruchten leven hebben een grote visuele geheugencapaciteit en een navenant groot hersengebied. Bij de mens bestaat de geheugencapaciteit naar schatting uit 100 triljoen bits informatie. Dat is een één met 20 nullen hetgeen overeen komt met een miljard harde schijven van moderne kantoorcomputers met een dikte van een centimeter die op elkaar gestapeld een toren van 100 km hoogte vormen. Ieder van ons draagt een gigantische privé bibliotheek met zich mee. Zonder het lange termijn geheugen is het begrijpen van actuele zintuiglijke informatie ondenkbaar. Alles wat we op dit moment waarnemen wordt beïnvloed door data die we voordien hebben vergaard. 'We observe and experience the presence through the lens of memories of the past' Pesso (1994). Leven zonder geheugen betekent een leven zonder verleden en zonder toekomst. Iemand loopt 's nachts door een donkere steeg en voelt kippenvel opkomen en een sensatie van spanning tussen de schouderbladen. De echo van de eigen voetstappen wordt onbewust geassocieerd met een beroving van tien jaar geleden. Sensomotorische en kinesthetische prikkels en ervaringen zijn evenals auditieve en visuele prikkels in het geheugen opgeslagen. Steeds wanneer we een lichamelijke sensatie bespeuren verbindt deze zich met vroegere lichamelijke sensaties en ervaringen die in het verleden zijn opgedaan. Het besef dat we de dagelijkse wekelijkheid slechts kunnen waarnemen en begrijpen door de beschikbaarheid van het geheugen, motiveert de Pesso-psychotherapeut met de cliënt op zoek te gaan naar de grondpatronen uit de geschiedenis die vastgelegd in het geheugen nog steeds de interpretatie van de gebeurtenissen in het heden bepalen. Er zijn verschillende manieren om het geheugen in te delen. We zagen reeds het onderscheid tussen het korte- en het lange termijn geheugen en het werkgeheugen. Kennis over de werking van het geheugen heeft consequenties voor de psychotherapie. Wanneer een therapeutische sessie op het moment zelf als aangenaam wordt beleefd, -'een prettig gesprek' - garandeert dat op zichzelf nog geen verandering. Je mag hopen dat de informatie die tijdens de therapie in het korte termijn geheugen van de cliënt binnenkomt, uiteindelijk in het langeduur geheugen wordt opgeslagen. Alleen dan kan een therapeutische ervaring bijdragen aan het op lange termijn genereren van alternatieve, meer bevredigende reactiepatronen in nieuwe situaties. Een tweede veel gebruikte indeling van de geheugenfuncties is die in het semantisch, het procedureel en het autobiografisch geheugen. In het semantisch geheugen is kennis over de wereld opgeslagen, zoals de betekenissen van woorden (semantiek) en visuele patronen (Busato & Hamaker 1999). Het autobiografisch of episodisch geheugen betreft de herinnering aan gebeurtenissen (episoden) die je zelf hebt meegemaakt. Het procedureel geheugen betreft de opslag van aangeleerde, ingesleten gedragspatronen (procedures), zoals de stappen die nodig zijn om de versnellingspook van een auto te bedienen, maar ook reactiepatronen in de relatie tot andere mensen. Vanaf de geboorte worden moeder-kind interacties in het procedurele geheugen opgeslagen. Dit geldt met name voor procedures waarbij primaire emoties zoals angst een rol spelen. Als het kind huilt omdat moeder de kamer heeft verlaten en zij vervolgens steeds weer terugkomt en het kind oppakt, wordt deze opeenvolging van handelingen als een interactieve procedure in het geheugen van het kind opgeslagen. Het vermogen tot huilen en de instinctmatige reactie van moeder maakt de hulpeloze baby tot een 'competente zuigeling' die initiatief neemt en effect uitoefent in een keten van moeder-kind interacties waarvan de grondpatronen genetisch zijn verankert en overleven van de soort mogelijk maken (Dornes, 1995). De gevoeligheid voor stress bij jonge ratjes die in de eerste drie weken slechts een etmaal de moederzorg moesten missen en niet door haar over de rug zijn gelikt, is op latere leeftijd blijvend groter dan die van hun soortgenoten, die niet van de moeder zijn gescheiden. Eenmaal volwassen vertoont het stresshormoon cortisol bij deze ratten een verhoogde concentratie in het bloed, in de hippocampus zijn minder receptoren aanwezig die stresshormonen reguleren, en leer- en geheugenfuncties zijn minder ontwikkeld. Echter, als de onderzoeker de babyrat tijdens de scheiding van moeder regelmatig met een nat warm penseeltje over de rug aait, -alsof het door moeder gelikt wordt- zal het even stressbestendig worden als zijn niet-gescheiden broertje. Kennelijk is er zoiets als een minimale noodzaak om gestreeld te worden en is de aanraking door moeder te vervangen. Een voorbeeld van de wisselwerking tussen genetische aanleg en in het geheugen opgeslagen procedurele kennis geeft Suomi (1991). Hij beschrijft blijvende veranderingen bij Rhesus aapjes die van hun moeder gescheiden werden en later in hun leven een vorm van sociale angst vertoonden, die zij echter konden overwinnen wanneer zij bij stabiele leeftijdgenoten werden geplaatst die door hun eigen moeders waren grootgebracht. Het hogere gehalte aan het adrenocorticotrope stresshormoon (ACTH) bleef echter levenslang verhoogd. Aapjes die, wanneer zij bij de moeder werden weggehaald, een aangeboren verhoogde stressreactie vertoonden, werden door uiterst zorgzame 'supermoeders' geadopteerd. Deze aapjes kwamen later aan de top van de hiërarchie terecht, hetgeen suggereert dat deze moeders hun adoptief kinderen hielpen om hun aangeboren sensitiviteit ten goede aan te wenden en te leren gebruiken voor een hoger niveau van sociale adaptatie. De overmatige genetisch vastgelegde verhoogde ACTH reactie verdween bij deze groep. In psychologische termen neemt het jonge kind de ervaring van aanraking in zich op en ontleent daaraan een positief zelfbesef en vertrouwen in verzorgers en zal als volwassene op andere mensen durven rekenen. Daardoor zal de wereld als bevredigend, zinvol en verbonden worden beleefd. Aangeraakt worden legt de basis voor de ontwikkeling van de persoonlijke individualiteit en weerbaarheid (Anzieu, 1985). Vroege ouder-kindinteracties vinden hun weerslag in dergelijke complexe emotionele regulatieprocessen die in het procedurele geheugen zijn vastgelegd. 3. EMOTIES, GEVOELENS en AFFECTEN 'Gevoelens kleuren onze waarneming en onze gedragingen, bewust of onbewust. Wij kunnen over onze gevoelens praten en daardoor zijn wij in staat er vrijer over te beschikken en er tot op zekere hoogte ook bevrijd van te raken' (Theo Festen 1999). Het besef dat bij een mens met een brein dat door een neurologische stoornis geen gevoelens herkent 'de veelgeprezen rationaliteit als een kreupele in het rond hinkt' (Damassio 2000) omdat zij bij het nemen van beslissingen geen rekening kunnen houden met emoties, steunt de Pesso-psychotherapeut in de gezamenlijke zoektocht met de cliënt naar lichamelijke sensaties en emoties en daarmee verbonden gevoelens en betekenissen. Le Doux (1997) definieert emoties als de basale in het lichaam door de genen overgeërfde mechanismen om aan gevaar te kunnen ontsnappen en die ons drijven naar wat we nodig hebben om te overleven. Met enige variatie zien de meeste onderzoekers de volgende emoties als 'primair': afkeer, angst, nieuwsgierigheid, woede en (ouder)liefde. Emoties komen bij alle zoogdieren voor, gaan gepaard met sterke fysiologische veranderingen en komen tot stand zonder toedoen van de neocortex. Voor primaire emoties is geen bewustzijn nodig. Ze kunnen ons ertoe brengen om ons van iets af te wenden of er juist op af te gaan zonder dat daar een bewuste beslissing aan te pas komt. Gevoelens zijn op te vatten als complexe, samengestelde emoties die rijk geschakeerd en bovendien bewust ervaren worden. Gevoelens komen tot stand door een ingewikkeld samenspel tussen hogere hersencentra en het lager gelegen limbisch systeem. Proeven uitgevoerd bij mensen met een zogenaamd 'gespleten brein', bij wie de verbinding tussen linker en rechter hersenhelft - de hersenbalk of het corpus callosum - is verbroken, illustreren de prioriteit die het menselijk brein geeft aan emotionele informatie. Wanneer een prikkel aan de rechter hemisfeer wordt aangeboden komt de letterlijke betekenis niet terecht in de taalvormende linker hersenhelft. De proefpersoon komt bij het zien van een plaatje niet op het woord 'duivel'. De emotionele betekenis van de prikkel kan echter wel worden overgedragen en begrepen en wordt vervolgens in taal omgezet. De proefpersoon meldt aan de onderzoeker: 'slecht'. De linker hemisfeer blijkt tot een emotionele beoordeling en taalvorming in staat zonder te weten welk object wordt waargenomen. Emoties zijn zonder terugkoppeling vanuit het lichaam niet te onderscheiden van gedachten (Carter 1997). Een patiënt met een hoge dwarslaesie die onder zijn nek geen lichamelijke sensaties voelt, kan bedenken dat hij in een onrechtvaardige situatie boos moet worden omdat 'ik geleerd heb dat mensen anders misbruik van mij zullen maken', maar voelt vrijwel niet de spontane authentieke verontwaardiging die hij kende van vóór het ongeluk. 3.1 Amygdala en hippocampus De neuroanatomie biedt vier aanknopingspunten welke begrijpelijk maken dat emoties in staat zijn de heerschappij in het brein tijdelijk over te nemen. Hierin speelt de amandelkern de nucleus amygdala, het opslag- en regulatiecentrum van globale, hoofdzakelijk negatieve emotionele herinneringen een centrale rol. De banen die van de amandelkern naar hoger gelegen centra lopen zijn veel talrijkere dan andersom. De objectieve geheugeninformatie van de hippocampus, de degelijke kennis van het semantische geheugen dat algemene feiten over de wereld bevat en de neocortex waarin zintuiglijke en cognitieve integratie en interpretatie van gegevens plaats vinden, kunnen zonder moeite overspoeld worden door de emotionele centra, waardoor sociaal gedrag in de war gestuurd kan worden. Goleman (1995) noemt dit 'emotional highjacking'. Omgekeerd zijn gedachten maar matig in staat emoties van het mentale toneel te verdrijven: louter de gedachte dat de angst of de depressie moet verdwijnen heeft helaas weinig effect (Le Doux, 1996). Informatie uit de amandelkern kan via speciale netwerken (arousal networks) rechtstreeks de gehele cortex in staat van paraatheid brengen. Wanneer we met gevaar of andere emotionele situaties worden geconfronteerd raakt de hele persoon daarbij betrokken. Dergelijke 'arousal networks' spelen een rol bij de Posttraumatische Stress Stoornis. Emoties zorgen voor algemene, aspecifieke mobilisatie en synchronisatie van de activiteiten van het brein (Scherer, 1993). Gedachten zijn in veel mindere mate tot een dergelijke invloed in staat. Tezamen met het hierboven genoemde punt is dit een functioneel neuroanatomisch argument voor een psychotherapie die zich op cognities én emoties richt. Er zijn directe verbindingen vanuit de amandelkern naar netwerken die soortspecifiek gedrag besturen, zoals bevriezen, vechten, vluchten en mimische expressie, tevens naar het autonome zenuwstelsel dat hartfrequentie, bloeddruk, transpiratie en maag- en darmcontracties reguleert en tenslotte naar hormoonproducerende klieren die ondermeer adrenaline, cortisol en peptiden produceren. Er bestaan twee verschillende circuits, een snelle en een langzame route, die de perceptie van een emotionele stimulus, -bijvoorbeeld het in een bos zien van iets dat op een slang lijkt- verwerken. In het korte, snelle circuit zendt het netvlies via de oogzenuw impulsen uit naar de thalamus die de prikkel via de kortste weg naar de amandelkern in de basale hersenen verstuurt. De visuele cortex wordt overgeslagen waardoor de representatie van de prikkel in de amandelkern niet al te nauwkeurig is: als de 'slang' slechts een glanzende boomwortel is, springt de wandelaar achteruit. Het korte circuit stelt ons dus in staat te reageren op potentieel gevaar nog voordat we de stimulus in de visuele cortex hebben kunnen interpreteren. Wanneer de visuele prikkel vervolgens via de langere weg (netvlies - thalamus - visuele cortex - amygdala) een meer nauwkeurige representatie naar de amandelkern verstuurd, kan de eerste primitieve vluchtreactie worden bijgesteld. Met een wat versnelde hartfrequentie loopt de wandelaar enigszins verstoord, quasi argeloos verder. In de hippocampus worden expliciete beelden en herinneringen aan emotionele gebeurtenissen, zogenoemde episoden, voor de lange termijn opgeslagen. Bij een kind is dit gebied nog niet uitgerijpt. In de amygdala, de amandelkern worden impliciete emotionele herinneringen vastgelegd. Dit uiterst belangrijke gebiedje is vanaf de geboorte al klaar voor informatieopslag. Een baby kan mishandeling 'onthouden' als lijfelijke, onbestemde, onbenoembare informatie. Het zal ernaar gaan bewegen, kijken, praten enz. zonder dat het zich iets concreet kan herinneren. Het heeft in de onrijpe hippocampus geen expliciet geheugenspoor achtergelaten en is als feit niet meer te achterhalen, maar is alleen als beleving te voelen. Eén van de zaken waarin Freud met zijn ontdekking van het onbewuste veel meer gelijk had dan we tot voor kort beseften. 4. DE STRUCTURE VANUIT EEN NEUROWETENSCHAPPLIJK PERSPECTIEF Om de besproken onderwerpen bijeen te brengen sluiten we deze lezing af met een schets van het verloop van een structure. In een structure ensceneert de cliënt een visuele en auditieve representatie, een weerspiegeling van diens emotioneel-cognitieve bewustzijnstoestand in het hier en nu. Je zou kunnen zeggen dat de informatie die in het werkgeheugen van de cliënt actief wordt, tevens buiten de cliënt in de actuele scène (True Scene) zichtbaar en hoorbaar wordt gerepresenteerd. Globaal komen hier drie rolfiguren aan te pas: de getuigefiguur, een negatieve stem en een potentieel positieve figuur. De 'getuigeboodschappen' zijn reflecties op de door de geoefende therapeut waargenomen affectieve mimische uitingen. Het zijn de met het verhaal meelopende, razendsnelle gevoelsbewegingen die zonder de censuur van de cortex door het limbisch systeem naar de gezichtsmusculatuur worden overgebracht. De getuige-interventies steunen het 'Pilot Ego' van de cliënt: door wat de cliënt zonder er bij na te denken affectief toont van buitenaf te benoemen, wordt de ventromediale cortex van het frontale brein geactiveerd, de plaats waar emoties bewust ervaren en geïnterpreteerd worden. Doordat de therapeut elke affectieve benoeming op nauwkeurigheid door de cliënt laat toetsen, (Th: 'Teleurgesteld, klopt dat? Cl: 'Nee verbitterd, dat hij mij dat heeft aangedaan') houdt de cliënt de regie. Door steeds na te gaan of hetgeen van buiten wordt aangereikt bij de innerlijke beleving aansluit, blijft het in de frontale schors gezetelde 'hoogste bewustzijnsniveau' actief: bij herkenning van het benoemde affect 'flikkeren de juiste neuronen' op. Deze prikkelen op hun beurt de met de gevoelens geassocieerde hersencentra in de hypocampus: expliciete herinneringen aan emotionele gebeurtenissen worden gewekt. De uit de levensgeschiedenis gedistilleerde ingesleten overtuigingen over de actuele werkelijkheid die in het procedurele geheugen zijn vastgelegd ('Ik kan hem dat toch niet verwijten!') wordt door 'negatieve stem' buiten de cliënt verwoord. Dat gebeurt in de vorm van een opdracht, een verbod of een sombere, cynische voorspelling over de toekomst: 'Je zult altijd wat te klagen hebben'. De combinatie van precies kloppende getuige-interventies en 'rake' verwoording van stemmen maakt de cliënt bewust van zijn innerlijk conflict. Het wordt hem pijnlijk bewust dat de in het procedurele geheugen ingesleten gestandaardiseerde reactiepatronen niet stroken met diens algemene menselijke behoeften. Dit mobiliseert verontwaardiging, protest of zelfs woede (fight). Nu worden associatieve zenuwbanen, verbindingen tussen het limbische systeem (basale behoeften en primaire emoties), het procedurele geheugen en het expliciete geheugen geprikkeld die de negatieve boodschap hebben doen ontstaan. In een toestand van 'high emotional arousal' en lucide bewustzijn ziet de cliënt voor zijn geestesoog situaties uit zijn geschiedenis, die nog steeds zijn dagelijks doen en laten beïnvloeden en die in actie, beweging en lichamelijk contact zijn ontstaan. Hieruit heeft hij de conclusies en reactiepatronen ontwikkeld die hij normaal gesproken 'in de strijd gooit'. De expressie van emoties en bewegingen die voordien niet zijn geuit, activeren het episodische geheugen en maken vroegere traumatische ervaringen en onvervulde behoeften bewust. Nu kan een positieve rolfiguur, met bijvoorbeeld validerende of stimulerende eigenschappen in een rol komen. Deze kan als voorloper van een goede ouderfiguur diens boodschap ook interactief-lichamelijk overbrengen. De cliënt herkent het vroegere gemis aan validerend contact en het onderliggende verlangen naar herkenning, waardering, steun en bescherming. De cliënt herkent of het lichamelijk contact zoals dat bij het kind zou hebben gepast 'klopt' en corrigeert wanneer nodig de lichamelijke aanraking tot deze precies past. Begeleid door de therapeut, bouwt de cliënt met behulp van rollenspelers een alternatief herinnerings-scenario op: nieuwe ervaringen, die een emotioneel tegenwicht kunnen bieden tegenover de impliciete en expliciete geheugensporen uit het verleden. Deze positieve interacties, precies tegengesteld aan de oorspronkelijke gebeurtenissen, bieden een concrete lijfelijke ervaring, op het herinneringsniveau van het verlangende kind. Je zou kunnen zeggen dat de nieuwe ervaring in de hypocampus wordt opgenomen als een nieuwe expliciete emotionele herinnering. Het lichamelijk contact met groepsleden in rollen van mensen die er toen niet op die manier waren, die nu precies bieden wat de cliënt vraagt, versterkt het nieuwe geheugenbeeld doordat de cliënt bewust in contact is met alle zintuigen: visuele, auditieve, kinesthetische en motorische informatie (New Memory). Dit gebeurt in het tijdsbesef van het kind van toen. De cliënt beleeft in het nieuwe scenario bewegings-plezier en sensorische input aan nog nooit of zelden uitgevoerd gedrag en niet eerder ontvangen lichamelijk contact. Er wordt een alternatief aangeboden voor oude in het episodisch geheugen vastgelegde ervaringen. Dit alternatief biedt een meer optimistische beleving van zichzelf en anderen, dat een tegenwicht kan gaan vormen tegenover de oude negatieve conditionering van het procedurele en impliciete geheugen (Old Memory). Zoals beschreven zijn herinneringen subjectieve, door emoties gekleurde 'inprints' van interactieve gebeurtenissen. Deze hebben geen definitief, statisch karakter maar zijn veranderbaar. Zij kunnen worden 'herschreven' in een brein dat eigenlijk nog steeds weet heeft van hetgeen de eigenaar nodig heeft. 5. ALLEEN NOG DE HERSENEN? Met een enthousiast betoog over de betekenis van de kennis van de neurowetenschappen is niet gezegd dat de complexiteit van de unieke subjectieve persoonlijke ervaring tot hersenanatomie, chemie en fysiologie kan worden teruggebracht. Het is niet waarschijnlijk dat 'La Condition Humaine' uiteindelijk te begrijpen is wanneer 'alles' over de hersenen bekend zou zijn. Het brein van één mens is waarschijnlijk niet in staat om het eigen functioneren helemaal te overzien (Damassio 1999). Niet anders dan de filosofen van de laatste eeuwen, zullen neurowetenschappers in de nabije toekomst voorlopig meer vragen opwerpen dan zij kunnen beantwoorden. Een tweede relativering van de neiging tot een eenzijdige hegemonie van het brein is het gegeven dat de toename van de inzichten over de werking van de hersenen niet vanzelfsprekend betekent dat de behandeling van de psyche in de toekomst middels directe manipulatie van het brein zal plaats vinden. Wél is te verwachten dat op den duur beter begrepen zal worden hoe de processen die in de hersenen verlopen met psychologische en sociale methoden zijn te beïnvloeden. Het pleidooi voor een bio-psycho-sociale menswetenschap is dan ook nog volledig actueel: geest, brein en lichaam vormen een geheel, staan in voortdurende wisselwerking met de omgeving en zullen ook in de toekomst als ondeelbare eenheid in het psychotherapeutische onderzoek moeten worden betrokken. Geraadpleegde literatuurAndreasen, N. (1997). Lezing: 'De anatomische les'. Amsterdam: Volkskrant. Anzieu, D. (1989). The Skin Ego. The psychoanalytic approach. New Haven/Londen: Yale University. Arnold, MB. (1960). Emotion and personality. New York: Columbia University Press. Busato, V. en Hamaker, C. (1998). Het geheugen in een notendop. Amsterdam: Vossiuspers AUP. Carter, R. (1998). Mapping the Mind. New York: Weidenfeld & Nicolson. Damassio, AR. (1994). Descartes' Error. Emotion, Reason and the Human Brain. New York: Avon Books. Damassio, AR. (1999). The Feeling of what happens. Body and Emotion in the Making of Consciousness. New York: Hartcourt Brace & Company. Zie ook: Marriët Montange. Boekbespreking. Tijdschrift voor Pessopsychotherapie, dit nummer (2001) 16:2. Dornes, M. (1993). De kompetente Säugling. Die präverbale Entwicklung des Menschen. Frankfurt: Fischer Tachenbuch Verlag. Edelman, GM. (2000). A Universe of Consciousness. How Matter becomes Imagnation. New York: Basic Books, HarperCollins Publishers. Festen, Th. (1999). Gevoelens, ik heb er wel duizend. Gedichten van gevoel, uitzinnigheid en waanzin gekozen door Theo Festen. Amsterdam: Querido. Frijda, N. (1986). The Emotions. Cambridge: Cambridge University Press. Gazzaniga, MS. (1992). Nature's Mind. The Biological Roots of Thinking, Emotions, Sexuality, Languague and Intelligence. New York: Basic Books, HarperCollins Publishers. Idem: London: Penquin Books, 1994. Goleman, D. (1995). Emotional intelligence. New York: Bantam Books. Ladan, A. (2000) Het wandelend hoofd. Amsterdam: Boom. LeDoux. (1994). The Emotional Brain. The Mysterious Underpinnings of Emotional Life. New York: Simon & Schuster. Posner, M. Raichle, ME. (1994). Images of Mind. New York: WF Freeman. Pesso, A. (2000). Memory and Consciousness: in the Mind's Eye, in the Mind's Body. November 2000. Tijdschrift voor Pessopsychotherapie, dit nummer (2001) 16:2 Raine et al. (1997) Brain abnormalities in murderers indicated by positron emission tomography. Biological Psychiatry. 42: 495-508. Schacter, DL (1996) Searching for Memory: The Brain, the Mind, and the Past. New York: Basic Books, HarperCollins Publishers. Williams, T. (1964). The milk train doesn't stop here anymore. Norfolk, CT: New Directions. |